Joke J. Hermsen: Stil de tijd
“Tijd” is tegenwoordig, zoals veel moderne verschijnselen, gefragmenteerd, opgedeeld. Tijd heeft als het ware een cinematografische vorm aangenomen: tijdsdeeltjes zijn een soort beeldjes geworden, die na elkaar aan ons voorbij trekken. Dagen, uren, seconden. Tik tak. De kloktijd. Deze lineaire beweging die wij beleven als vroeger, nu, en toekomst wordt over het algemeen gezien als een effect van ons besef van geboren worden, leven, en sterven. Ons bestaan trekt een lijn in de tijd en bestaat zelf ook uit tijd. Maar op een gegeven moment in de geschiedenis werd tijd geld…
Sinds de 19e eeuw is “tijd”, door de industrialisatie, steeds meer als een meetinstrument van arbeidsproductiviteit gebruikt. Omdat de kapitalistische economie op winst gebaseerd is, moet alle arbeid zo productief mogelijk zijn. Dat kan door het op te splitsen in kleine deeleenheden, die een bepaalde (zo klein mogelijke) hoeveelheid tijd innemen. Zo krijg je massale lopende bandarbeid , binnen een steeds verder gerationaliseerd systeem. Hoe preciezer doorgerekend, hoe winstgevender. In de 20e en 21e eeuw is dit proces nog verder voortgeschreden zodat uit het meeste productiewerk de individuele kleur is verdwenen. Zelfs zorgtaken en verpleging worden in minuten en seconden berekend. Er is altijd veel kritiek geweest op deze vorm van tijdsbenutting, in de eerste plaats door Karl Marx. Hij wees op het verlies van menselijke en persoonlijke waarde dat in het verleden altijd het centrale karakter van alle arbeid was geweest, de zogenaamde “Entfremdung”.
Wie een rake en geestige verbeelding wil zien van iemand, die als menselijk wezen te gronde lijkt te gaan aan een uiterste vorm van flexibiliteit en productiviteit, moet de film “Up in the air” van Jason Reitman gaan zien. In deze komedie speelt George Clooney een reizende “aanzegger van ontslag” voor de vele chefs die de moeilijke taak van het brengen van de nare boodschap uit handen geven. Een onbekende is niet emotioneel betrokken en het slecht-nieuws-gesprek kan zo ultrakort worden gehouden. Clooney beweegt zich per vliegtuig van de ene firma naar de andere, zonder zelf een vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Alleen een steriele huurkamer, waar hij zijn gehate vrije – lege – dagen doorbrengt en zijn koffer in- en uitpakt. Op vliegvelden, in hotels en lounges is hij in zijn element. Zijn grootste hartstocht is het sparen van air-miles. Menselijke relaties, trouw en betrokkenheid zijn hem vreemd. Tot hem plotseling iets merkwaardigs overkomt…
Henri Bergson maakte halverwege de 19e eeuw parallel aan de analyse van Marx van het tijdsbegrip binnen de moderne ontwikkeling, een onderscheid tussen “temps” – de kloktijd, en “durče”, de individuele tijdservaring, of liever, de weldadige afwezigheid daarvan. Zoals in de “flow” tijdens het werken, in de bijna mystieke “tijdloosheid” tijdens het intens beleven van het hier-en-nu en in andere hoogstpersoonlijke ervaringen, de liefde bijvoorbeeld, die zich buiten de jachtige economie afspelen.
In de literatuur waren het iets later Marcel Proust – het proces van de herinnering – en Virginia Woolf – de innerlijke monoloog en de schijnbare gelijktijdigheid van alle menselijk bewustzijn – die de aandacht vestigden op wat de moderne kloktijd doet met ons en hoe we ons daar buiten kunnen plaatsen als we de gelegenheid hebben. In de muziek wordt de fragmentering van de tijd ook opgeheven, al is ieder muziekstuk een tijd-ding. Componisten werken meestal ook met tijdseenheden, maten. Maar in zekere zin plaatst ieder kunstwerk zich buiten de tijd, omdat het vraagt om belangeloze beschouwing en concentratie. Hermsen bespreekt ook de verstilde schilderijen van Mark Rothko. En uiteraard kan een natuurervaring die belangeloze toewijding en vrijheid oproepen.
Het probleem bij de essay’s van Joke Hermsen, verzameld in de bundel “Stil de tijd” (de titel is ontleend aan en gedicht van Gerrit Kouwenaar) is dat zij geen duidelijk onderscheid maakt tussen wat je het misbruik van de kloktijd zou kunnen noemen – het slavendrijven met de stopwatch in de hand uit economische motieven - en het nuttige verschijnsel van een uurwerk dat mensen verenigt in een zinvolle communicatie, waarbinnen afspraken mogelijk zijn. Het is fijn om in een vakantiehuisje een paar weken lang je horloge op te bergen en met de zon en de maan te leven. Maar om er te komen moet je misschien een trein halen, en je gezin op een bepaalde ochtend verzamelen ten einde af te reizen. Verder maken de verwijzingen naar eeuwigheid en mystiek een beetje een toevallige indruk, zolang niet duidelijk wordt uitgelegd binnen welke religieuze, filosofische of spirituele traditie zij staan. Hermsen noemt Kant, Plato, Sloterdijk. En kunstenaars als de componist Simeon ten Holt en de schilder Mark Rothko. Het is allemaal heel mooi en juist wat ze betoogt over het “diepe zelf” - “le Moi profond” van Bergson. Ze geeft interessante voorbeelden zoals een mystiek eiland in een Italiaans meer dat grote betekenis had in de Etruskische beschaving. Maar het vermoeden van “er is meer dan het prozaďsche dagelijks leven als je de klok afzet” doet ook wat new-age-achtig aan. Want Joke Hermsen vermijdt zorgvuldig ieder verband van een diepe innerlijke ervaring met een persoonlijke God. De relatie tussen mens en God, van oudsher de relatie waarbinnen de dwang van tijd en plaats kan worden opgeheven, blijft een curiositeit uit het verleden. Van Augustinus wordt herhaaldelijk gezegd dat hij vindt dat “het nu” niet bestaat, omdat juist dat “nu” als geďsoleerd moment de stroom van de tijd, de “durče” ontkent. Maar Augustinus kun je niet citeren zonder te vermelden dat zijn gevoel voor eeuwigheid direct verband houdt met zijn godservaring. Het zelfde geldt voor de zeepbel van Hildegard von Bingen. Sterker nog: juist binnen het streng gereglementeerde kloosterleven, met zijn verdeling van het etmaal in eindeloos herhaalde vaste momenten, kan de geoefende monnik of moniale geestelijke vrijheid bereiken en buiten de beklemmende materiële existentie geplaatst worden. Er kleven blijkbaar toch tegenstrijdigheden aan het versmade begrip “kloktijd”. Het misbruik dat in onze eeuw wordt gemaakt van de lineaire tijd, die volgens Marx verkocht wordt aan de “bezitters van de productiemiddelen” en dus per definitie niet meer je eigen tijd is, kan niet veralgemeniseerd worden tot filosofisch uitgangspunt.
Joke J. Hermsen: Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst.
Uitgeverij De Arbeiederspers, 2009
Inge Cohen Rohleder