Redactioneel FIER 4-2009
Voor inhoudsopgave Fier 4-2009 Thema: Zelfbeeld
klik hier >>Spiegeltje, spiegeltje aan de wand …
Wat voor beeld zou ik schetsen van mezelf? En wie zouden er nog meer iets aan dit kunstwerk bijdragen: een penseelstreekje hier, een kloddertje verf daar? Als tiener had ik alle tijd van de wereld om uren in de spiegel te kijken. Ik zou die tijd van het onbeperkte navelstaren niet hebben willen missen en toch kijk ik er met gemengde gevoelens op terug. Niet alleen omdat ik hoe langer hoe meer onvolkomenheden ging ontdekken – een imaginair vetkwabbetje of een wenkbrauw die niet de voorgeschreven boog volgde – maar ook omdat klasgenoten door pesterijen een paar lelijke, zwarte strepen over mijn zo moeizaam ontworpen zelfbeeld wisten te klodderen. Tegelijkertijd kleurden mijn ouders en docenten dat beeld juist (misschien soms iets té) rooskleurig in. Een verwarrende combinatie, die ervoor zorgde dat ik een houding van rebellie ging aannemen. Niet, zoals je op die leeftijd zou verwachten, tegen mijn ouders, maar juist tegen de eis van leeftijdsgenoten, die erom vroeg het zich langzaam ontvouwende ‘ik’ steeds weer aan te passen aan wat in een bepaalde groep als ‘hip’ werd gezien. Ik was wie ik was, en als dat de wereld niet beviel, dan kon de wereld de pot op! Niet dat deze houding me er trouwens van weerhield om me met anderen te blijven vergelijken. Geen goede gewoonte – niet voor je eigen zelfbeeld, noch voor het mentale beeld dat je van die ander schetst.
Inmiddels heb ik nog maar zelden de tijd om uitvoerig in de spiegel te kijken. En dat is misschien maar goed ook. Ik merk hoeveel gezonder het is om mezelf een andere spiegel voor te houden. Een spiegel die niet alleen de harde werkelijkheid weerkaatst, maar mijn binnen- en buitenkant in het licht zet van het vers uit Psalm 139, dat ik tijdens mijn studententijd op mijn (echte) spiegel had geplakt: ‘Ik dank u, want het is een wonder zoals ik ben gemaakt. Alles wat u maakt, is een wonder. Dat besef ik heel goed.’ Nog steeds betrap ik mezelf regelmatig op de grote vergelijkingstruc. Maar ik laat minder gauw toe dat anderen hun ideeën van wie ik zou moeten zijn op mijn zelfbeeld tatoeëren. En met vallen en opstaan leer ik om mezelf te zien door de ogen van de grote Kunstenaar, die ervoor zorgt dat ‘onvolmaakt’ niet uitloopt op ‘Unvollendet’.
ANNE-MAREIKE SCHOL-WETTER