Over moed, als hartstocht en deugd, bij Hildegard van Bingen en Christine de Pisan
Deze tekst is uitgesproken door Irmgard Bush op de FEBE-middag 4 oktober 2008 – met als thema: MOED (in een drieluik: stilte – moed – saamhorigheid)
Moed is een abstract woord. Waarvoor gebruiken we het? Moed is geen ding of voorwerp. Je kunt het niet oppoetsen, niet bewaren, niet te voorschijn halen, niet aan iemand geven. Moed kun je niet bezitten. Wat is moed?
1. Moed bij Hildegard van Bingen
Hildegard van Bingen werd geboren in 1098; ze was tiende kind in een adellijke familie. Zij werd 81 jaar oud. Toen ze 8 jaar oud werd ging ze naar de abdij van Disibodenberg, een dubbelklooster. Jutta van Spanheim was haar opvoedster. Als vijftienjarige werd zij kloosterzuster. In 1136 overleed Jutta en Hildegard werd het hoofd van de zusters, 38 jaar oud.
![]()
Hildegard laat van zich horen, zij heeft visie en visioenen. Van vernieuwing van het kloosterleven komt weinig terecht, want de zusters moeten keihard werken, ook voor paters. Het motto in het klooster is: ora et labora, bid en werk. Maar het is vooral werken, weinig tijd en energie voor bidden, zingen, reflectie, bezinning en leren.
In deze context slaat Hildegard – vanaf 1141 - nu 5 jaar hoofd van de vrouwen in het klooster - een hoge toon aan (kort citaat):
“Het licht doorstroomde heel mijn geest en het doorgloeide mijn hart als een vlam die niet echt brandde maar alleen verwarmde, zoals ook de zon iets waarop zij haar stralen richt, verwarmt…”
Er zijn mensen in haar omgeving, die deze praat nogal irritant vinden. Heeft ze anders niets te doen! Er zijn ook mensen, die haar verhalen en uitleg van de psalmen heel goed vinden. Hildegard heeft het over kleuren, klanken en ze let op de gezondheid van haar medezusters. En dan neemt ze een gewaagd besluit. Zij laat iets verderop op de Rupertsberg bij Bingen een nieuw klooster bouwen en vertrekt met de zuster naar dit nieuwe klooster, het vrouwenklooster.Een moeilijk besluit, zij heeft er wakker van gelegen en is er ziek van geworden. En toch ging zij met de andere zusters naar deze nieuwe toekomst. En waar ze bang voor was gebeurde. Het achtergelaten mannenklooster wilde deze vrouwen niet zomaar laten vertrekken. Wie moest nu al dat werk doen: de landbouw, de voedsel- en textielvoorziening, het onderhoud in de gebouwen?
De tegenwerking uit het mannenklooster ging zelfs zover dat de paters het grootste deel van de bezittingen, die de nonnen bij hun intrede hadden meegebracht, voor zich hielden. Hierdoor begon het nieuwe klooster op de Rupertsberg in grote armoede, er was zelfs niet genoeg te eten. Medezusters kwamen in opstand. Ziek werd Hildegard hiervan, twijfels knaagden aan haar. Zij beschrijft deze crisis zo:
“Ik merkte dat mijn aderen met het bloed, en mijn hersenen met het merg verdorden,
En mijn ingewanden verscheurd werden, mijn hele lichaam zo verslapte zoals het gras in de winter zijn kleur verlies…”
In deze toestand steeg ze op een paard en reed terug naar het oude klooster, ontvlamde daar in heilige woede en kwam terug met de eigendommen van de zusters.En dan ging het beter, het klooster groeide, werd in wijde omstreken bekend en al gauw stichtte zij een tweede klooster.
Ik begin met dit fragment uit het leven van Hildegard om de volgende redenen:
- Hildegard wordt tegenwoordig weer herinnerd, meestal alleen op het punt van haar spiritualiteit en visionaire talent, haar muziek en misschien ook nog iets met kruiden.
- Haar weerbaarheid tegen de aanvallen en pesterijen uit kerkelijke en politieke kringen wordt meestal ‘zwakke gezondheid’ en hevige hoofdpijn genoemd…
- Zij voegde de daad bij haar inzicht en bij het woord. Zo ontstond haar wilskracht en haar daadkracht. Van wilskracht en daadkracht heb je geen voorraad, deze krachten ontstaan op een dynamische manier, in de strijd.
Trouwens, zij was de eerste, die een waterleiding in het klooster liet aanleggen, dat was immers praktisch en hygiënisch.Nog vlak voor haar dood – zij was 81 jaar - werd ze beschuldigd van ongehoorzaamheid en werd de vergunning voor het klooster ingetrokken (kreeg het interdict opgelegd).
Dat betekende, dat de kloosterkerk dicht ging, geen liturgie en geen religieuze gezangen meer gehouden mochten worden en – vanwege ‘besmet gebied’ – ook geen mensen van buiten niet toegelaten werden.
Wat was er gebeurd? Hildegard had toestemming gegeven, iemand op het kloosterkerkhof te laten begraven, die volgens de kerkelijke autoriteit niet in gewijde aarde mocht. Hildegard schreef een verontwaardigde brief naar de aartsbisschop van Mainz, die met een dreigement eindigde:
“Zij die de kerk met betrekking tot het zingen van Gods lof het zwijgen opleggen (door het interdict!), begaan onrecht. Zij beroven God van de eer van de hem toekomende lof.
Daarom zullen zij geen deel hebben aan de lof der engelen in de hemel, tenzij ze het door ware boetdoening en bezinning goedgemaakt hebben.”Wat een lef! Een moedige vrouw was zij, vind ik.
2. Moed als hartstocht en deugd
Over moed hebben al heel wat mensen nagedacht. Het is geen ding, maar een deugd en een kracht, een hartstocht. In het christendom, maar ook in andere religies en culturen.
Thomas van Aquino (1225-1274) heeft het onderzoek van Aristotes (384-322 v.Chr) gebruikt om er vanuit het christendom zinnige dingen over te zeggen.
En Mary Daly gebruikt dit gedachtegoed om vanuit feministisch perspectief het een en ander te verhelderen over hartstochten en deugden, dus ook over moed. Aanleiding voor haar was de voortdurende verwarring. Soms werd in de ethiek iets als moed bestempeld, terwijl Daly dit juist gebrek aan moed vond, of hypocriet.
Bovendien waren hartstochten binnen de kerkelijke moraal ook verdacht, zeker voor vrouwen. Je moest immers je begeerte niet de kost geven, maar juist smoren en afleren. De uitleg, volgens Mary Daly, die Thomas van Aquino als springplank gebruikt.Hartstocht is wilskracht, het vermogen om te willen, de kracht van de begeerte, het ademen van de ziel, hartstocht heeft te maken met levenskracht, levenslust, met alle zinnen streven naar… appetitus sensitivus.
Hartstocht is beweging, is e-motie, richt zich op het Goede en keert zich af van het Kwaad en ontstaat door datgene wat waargenomen en ervaren en wordt.
Hartstochten zijn intelligente emoties, geworteld in weten, die uit zintuigelijk waarneming is ontstaan. Hartstochten zijn geen statische, algemene, vage klonters van ‘gevoelens’
Basishartstochten van het begerende deel van de wilskracht zijn bijvoorbeeld: liefde en haat, vreugde en verdriet, verlangen en afkeer.
Hartstochten werken als dynamische krachten samen. Telkens twee bewegingen: na het goede toe, van het kwade weg. Je kunt immers niet het goede liefhebben/ernaar streven zonder te haten wat je als slecht en liefdeloos ervaart. Haten is de kracht om in disharmonie te leven met het kwaad, haat maakt dat je niet de kluts kwijtraakt en van het slechte gaat houden. Moed hoort bij de basishartstochten van het overwinnende deel. Vrees en moed (hoop en wanhoop, toorn).Naast de begerende hartstochten zijn er de overwinnende hartstochten
“omdat de ziel soms noodzakelijk te maken krijgt met moeilijkheden of moet vechten om het Goede te bereiken en het kwaad te mijden” (Thomas van Aquino)Vrees/angst (timor) is een intelligente emotie, die beschermt en die maakt dat je wegen zoekt om het kwaad te vermijden. Maar dat kan niet altijd. Dan is er de hartstocht moed om “op iets moeilijks af te stappen om er niet door gepakt te worden, om weerbaar te zijn en om je te verdedigen”. Moed is samen met angst een dynamische, intelligente kracht, een werkwoord. Ze hebben te maken met onze zintuigen, onze zintuiglijke waarneming als bron van ervaring, weten en kennis van wat concreet als goed en als slecht wordt ervaren.
Moed en angst is de kracht, de hartstocht om zinvol en doelgericht te handelen.
Je handelt met een be-doel-ing, doelgericht. Ook wanneer dit niet direct of tot minder succes leidt, dan nog blijft wat je doet doelgericht. Je ziet en weet waar je mee bezig bent, je kunt ervaren of je wel zinvol bezig bent om niet gefixeerd te raken.
Mechanismen en stereotype gedragspatronen zijn niet doelgericht en niet intelligent, omdat deze altijd hetzelfde zijn of op hetzelfde neerkomen ongeacht de verschillende situaties of omstandigheden.Zintuigen, zinvol, kracht. Er zin in hebben. Moed als hartstocht is geen offer of zelfkwelling, maar heeft alles te maken met motivatie, met levenslust en levenskracht.
Vreugde - gewenste veranderingen. Kracht en eigenwaarde -overlevenPlastic-hartstochten
Iets kan ook moed genoemd worden, terwijl het geen moed is, terwijl het nep is, niet echt. Mary Daly spreekt dan van Plastic-hartstochten.
Een soort vervanging voor de echte emotie.
Plastic-hartstochten zijn proppen die de waarneming, het hart en de ziel afsluiten, verlammen, doordat zij energie afzuigen en mensen weerhouden van levenslust.
Plastic-hartstochten zijn gevoelens, maar zij zijn onsamenhangend en leiden tot steeds grotere desintegratie en fragmentaies.Plastic-hartochten zijn vage klonters van gevoelens. Zij hebben geen bepaalde of benoembare reden/oorzaak. Je voelt van alles, je wordt door alles en nog wat bewogen, je wordt er doodmoe van, maar je schiet er niets mee op. Los van ieder context kun je er eindeloos mee bezig zijn, je erover buigen of therapeutisch en spiritueel aandacht aan geven en laten behandelen, steeds weer opnieuw. Plastic-hartstochten verbergen waar de oorzaak van de onderdrukking/verdringing ligt. Zij zijn geen werkwoord/geen kracht meer, maar een gevoel dat tot ding geworden is, een voorwerp dat je bezig houd, dat je beheerst, dat je koestert omdat je denkt dat het bij je hoort.
Plastic-hartstochten zijn er, je voedt ze, ze lijken gewoon, ‘zo voel ik nu eenmaal’ er zit echter geen kop en geen start aan. Zij zetten mechanismen in werking (bijvoorbeeld het slachtoffer-is-schuldig-mechanisme)Een illustratie:
Toen Hildegard er met de medezusters vandoor ging, begon de ellende...
Ze had zichzelf de schuld kunnen geven: verkeerd besluit genomen, te hoogmoedig geweest. Ze had de opstandige medezusters kunnen verwijten, dat ze ondankbaar zijn, dat ze haar tot de zondebok maken, dat ze het toch goed had bedoeld enz….
Ze had in de steek kunnen laten ‘zoek het dan maar zelf uit….’
Maar haar waarneming maakte haar duidelijk:
Niet ik heb een verkeerd besluit genomen, niet de medezusters zijn schuldig, terecht dat ze in opstand komen. Neen, het is het mannenklooster dat zich ten onrechte onze middelen van bestaan hebben toegeëigend!Plastic-hartstochten – de vervanging van de hartstocht moed – kunnen bijvoorbeeld zijn:
valse schuldgevoelens, neerslachtigheid en depressies, vijandigheid, bitterheid, cynisme en wrok, frustratie, verveling (ik heb niet te klagen), resignatie, altijd negatief doen ‘ het zal wel weer…’. Dit zijn wel echt gevoelens, maar zij zijn slopend. Zij maken ziek en zij vergiftigen de krachten omdat zij het hartstochtelijk ademen onmogelijk maken.Plastic-moed is bijvoorbeeld roekeloosheid (je weet niet waar je mee bezig bent). Of je doet iets omdat anderen dit van je verwachten, niet omdat je er zelf van overtuigd bent.
De plastic-moed hebben om als volwassen vrouw je ouders of de kerk de schuld te geven voor je ongelukkig zijn…en het er altijd over hebben. Doodmoe wordt je ervan.Ook angst kan plastic zijn: angst voor veranderingen – de teloorgang van …. (het geloof, - redden – frustraties…). Angst om het niet goed genoeg te doen (dus doe je maar niets, maar je hebt het er wel constant over).
Met plastic-moed en plastic-angst ontstaan geen echter verbindingen, geen verbondenheid, geen communicatie, geen saamhorigheid. Ze maken samenhangen kapot.
Ze hebben vele namen, maar de namen zijn vaag, leeg, zonder concrete betekenis. Onnatuurlijke klitten van de geest. Je kunt dan wel heel actief en onrustig (nerveus neurotisch) zijn, maar niet krachtig, dynamisch, vurig. Zonder waarneming, zonder te kunnen luisteren.
Zoals de leugens het denkvermogen/bewustzijn inbinden en beperken, zo beperkt de plastic-moed de wilskracht en de motivatie in een ‘goed leven’. De wilskracht slingert naar buiten, is beweging, maar slingert terug en neemt je de adem…’zie je wel, koek van eigen deeg..’.Hoe kom je er van af?
Be-noemen, realiseren. Zich realiseren – beseffen, tot je laten doordringen, zich iets afvragen. En tegelijkertijd realiseren – er iets mee doen, handen en voeten geven. Ook zien en doorzien, hoe echte moed vaak een ander etiket opgeplakt krijgt. Dat werkt intimiderend, maakt verdacht, is een wapen om te ontmoedigen. Je van de wijs willen brengen.
Bonsai-hartstochten
Naast de nep-hartstochten heeft Daly het nog over de bonsai-hartstochten.
Ingeblikte hartstochten (potted passions)
Bonsai-moed is wel ten dele echt, maar is op de een of andere manier geconserveerd, ingesloten, ingemaakt, gesnoeid, aan banden gelegd, oppervlakkig en mooi en opgetuigd en mooi gemaakt. Metafoor: bonsai-boom.
Een niet behandelde bonsai-boom kan wel 24 m hoog worden. Maar behandeld, gesnoeid en in een bloempot gezet is hij ca. 30 cm hoog en dankzij de vergroeiingen en de vervormde takjes een kunstwerk.Uit ‘handleiding van doe-het-zelf:’
“Bonzai boompjes zijn geen speciale klein-blijvende soorten, het zijn in feite ‘normale’ bomen die door een speciale kweekmethode maar enkele decimeter groot blijven. Ook de amateur kan een dergelijk resultaat bereiken zonder al teveel halsbrekende toeren.
Waar het om gaat is het stelselmatig belemmeren van de lengtegroei van het boompje.
Op zich wordt die groei al vertraagd doordat het boompje in een betrekkelijk klein potje gezet wordt, maar ook door snoeien van de wortels (tot er minder dan de helft van over is – niet alles want dan gaat het boompje dood) en het snoeien van de uitlopers, potten in een arm grondmengsel, de takken tijdelijk onder spanning zetten door ze krom te buigen, na verloop van tijd gaat het boompje zich hierop instellen. alle pogingen om nieuwe loten te vormen worden in een zeer vroeg stadium te lijf gegaan met een snoeimes.”Bonsai-hartstochten zijn achtergebleven in de groei en aangepast. Ten gevolge hiervan zijn zij verwrongen en vermomde versies van echte hartstochten. Bij bonsai geldt: je mag groeien, je mag meedoen, maar binnen gestelde grenzen.
De bewakende tuinman grijpt op tijd in, anders loopt het uit de hand en is het niet meer onder controle. Flexibel en aangepast. Door middel van bonsai-haratstochten worden mensen/vrouwen geïntimideerd, worden zij zodanig getraind en gedresseerd dat zij van verkeerde dingen gaan houden en ernaar verlangen, dat zij zich verheugen over de verkeerde dingen, dat zij voor de verkeerde dingen bang zijn, voor verkeerde dingen risico’s lopen en hun net uitsteken.
Daarom is bonsai-moed disfunctioneel, zoiets als een extreem lage bloeddruk of een slechte werking van de schuldklier, op den duur kan het fataal zijn.Bonsai-hartochten zijn ook onvolledig.
Denk bijvoorbeeld aan leugens, die bestaan uit ‘halve waarheden’ maar zich presenteren als de waarheid, zo is de pseudo-hartstocht een vervanging voor echte emoties.
Ze misleiden diegenen die deze bonsai-gevoelens hebben, maar ook diegenen die hiermee te maken krijgen – maatjes, medestanders, medewerksters, bondgenoten. I.p.v. dat de verbondenheid de kost krijgt, wordt je van elkaar gescheiden.Wie gebrek aan eigenwaarde heeft en voor waardering alleen afhankelijk is van anderen, wordt haar eigen tuinman. Zij bedenkt hoe anderen haar willen zien (volgens normerende beelden en profielen in de samenleving en de kerken).
3. Moed bij Christine de Pisan
Wij staan in een traditie, velen zijn ons voorgegaan in moed en trouw.
Ik wil ook Christine de Pisan noemen, 1364-1430.
In 1430 werd Jeanne d’Arc op de brandstapel vermoord. Zij kenden elkaar. Geboren in Venetië, hoog opgeleid door haar vader, getrouwd in Parijs toen zij 15 jaar was. Toen in 1389 haar echtgenoot op een werkbezoek aan de pest overleed, werd Christine de enige kostwinnaar van haar drie kleine kinderen, haar moeder en twee jonge broers. Er kwamen talrijke schuldeisers van kwade trouw op haar af en zeiden dat ze nog geld kregen van haar overleden man. Ze rekenden op de onwetendheid van de jonge weduwe en bedrogen haar. 14 jaar lang heeft Christine processen moeten voeren om zich van deze belagers te bevrijden. Dat heeft haar heel veel gekost en ze heeft er leningen voor af moeten sluiten.
“Oh, God, als ik eraan denk, hoe dikwijls ik de ochtend in dat paleis van justitie heb doorgebracht, in de winter stervend van de kou, goed lettend op mijn raadslieden, zodat ze zich mijn belangen zouden herinneren en er zich actief mee bezighouden…”.
En dan schrijft zij Het Boek van de Stad der Vrouwen (Le Livre de la Cité des Dames). Het verschijnt in 1405. ‘De Stad’ is een metafoor voor de manier waarop mensen samenleven. Zij zelf heeft veel strijd moeten leveren, is ervan overtuigd dat er veel onrecht is en vrouwen uitgesloten worden. Mannen houden er een dubbele moraal op na. Daarom schrijft ze dit boek. Het heeft de volgende vorm:
Christine zit in haar studeervertrek en er verschijnen ‘drie gekroonde dames van de allerhoogste waardigheid’, ‘dochters van God’. Zij heten Rede, Rechtvaardigheid en Recht. Aan deze drie Vrouwen/Engelen stelt Christine vragen en zij geven antwoord door een verhaal te vertellen. Elk verhaal is een bouwsteen van de bouw van de stad.
Welke ‘stad’ zijn wij aan het bouwen? Wie mag er wel en niet in?
Passen wij ons aan?
Doen wij het haalbare of zoeken wij ook met de hartstocht MOED de ruimte en de tijd, die er vaak niet lijkt te zijn omdat wij het onrecht en de hopeloosheid vrezen?