De kroon van Gouda
Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853)
In 1823 richtten de christelijk geïnspireerde en sociaal bewogen kooplieden Willem Hendrik Suringar, Willem Hendrik Warnsinck en Johannes Leonardus Nierstrasz de eerste Nederlandse reclasseringsinstelling op: het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen.
De Britse gevangenishervormers John Howard (1726-1790) en Elisabeth Fry (1780-1845) waren hun grote voorbeelden.
Eén van de eerste Nederlandse ‘reclasseringswerksters’, zo niet de allereerste, was Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. Gedurende ongeveer twintig jaar bezocht zij samen met enkele medewerksters de vrouwengevangenis te Gouda, lange tijd de enige gevangenis van deze soort in Nederland.
Voor vele Nederlanders, ook voor vele reclasseringswerkers en studenten social work, is Van Meerten-Schilperoort een onbekende figuur. Dit is geenszins verwonderlijk, omdat er over haar werkzaamheden als gevangenenbezoekster slechts weinig informatie bestaat. Daarbij komt dat deze beperkte inlichtingen dikwijls terloops vermeld worden. Meer gegevens vinden we over haar activiteiten als opvoedkundige, schrijfster en redactrice.
Hoogste tijd dus om haar uit de vergetelheid te halen. Vandaar deze beknopte levensschets ter kennismaking en inspiratie, bestemd voor een breed publiek.
Stamgezin en opleiding
Anna Barbara (beter bekend als Barbara) Schilperoort werd op 3 januari 1778 in Voorburg geboren. Ze stamde uit een bemiddeld gezin. Barbara was enig kind. Wel had ze een halfbroer uit een eerder huwelijk van haar moeder.Barbara bracht haar schooljaren door in een Frans meisjespension te Noordwijk – Binnen. Naar eigen zeggen ontving ze slecht onderwijs. Door zelfstudie probeerde ze meer kennis te vergaren. Lezen was haar grote passie. Betje Wolff en Aagje Deken behoorden tot haar favoriete schrijfsters.
Huwelijk
Op een gegeven moment verhuisde het gezin Schilperoort naar Zaltbommel. Hier ontmoette Barbara de hervormde predikant Hendrik van Meerten (1766-1830). Op zestienjarige leeftijd trad ze met hem in het huwelijk. Het jonge paar vestigde zich in een dorpje bij Tiel. Als domineese werd ze geacht ‘werken van weldadigheid’ te verrichten of te organiseren. Armenzorg heeft altijd haar bijzondere belangstelling gehad. Van verschillende charitatieve instellingen was ze lid. Ze hielp waar mogelijk.Franse Tijd
Begin 1795 trok het Franse leger Nederland binnen. Aan de Republiek der Nederlanden, het bewind van de Oranjes en de overheersende positie van de gereformeerde kerk kwam een einde. Militairen lieten een spoor van vernieling achter. Inboedels van pastorieën werden kort en klein geslagen. Zo ook de inboedel van de woning van het echtpaar Van Meerten, een traumatische ervaring waarover Barbara later een boek schreef, getiteld Emilia van Rozenheim. Later dat jaar werd Hendrik van Meerten benoemd in Bedijkte Schermer, een plaats in Noord-Holland.Gouda
In 1798 werd Van Meerten dominee te Gouda. Gouda was niet alleen een belangrijk handelscentrum , maar ook een garnizoensplaats. Binnen de stad heerste een geest van vrijheidzinnigheid.Barbara was toen net van haar eerste kind bevallen. In Gouda zouden nog vijf andere kinderen geboren worden. Barbara kreeg drie dochters en drie zonen. Eén zoon werd assistent-resident oftewel koloniaal ambtenaar te Natal (Nederlands-Indië). Multatuli – pseudoniem van Eduard Douwes Dekker – betitelt deze zoon in zijn Max Havelaar als ‘een zeer bekwaam man’.
Volgens vele Gouwenaren was Barbara ‘een zonderlinge figuur’, omdat ze zich eerst en vooral bezighield met lezen, schrijven en studeren, het liefste in een zolderkamer. Ze wilde voldoende kennis vergaren om zelf onderwijs te geven aan haar kinderen. De zorg voor het huishouden liet ze aan haar moeder over. Deze woonde bij haar in.
Pedagoge
Omdat tijdens de Franse bezetting het domineestraktement sterk was verminderd en het echtpaar Van Meerten een groot deel van haar spaargeld had verloren, raakte het gezin langzamerhand in geldnood. Om de financiële zorgen van haar gezin te verlichten zag Barbara zich min of meer genoodzaakt loonarbeid te gaan verrichten. Ze schreef niet alleen leerboeken voor kinderen, maar startte ook een dag- en kostschool voor welgestelde meisjes. Met behulp van haar dochters lukte het haar deze meisjesschool tot een gerespecteerd instituut te laten uitgroeien. De onderwijsinspectie sprak lof over haar onderwijsinstelling.Schrijfster en redactrice
Barbara verwierf niet alleen landelijke bekendheid als pedagoge, maar ook als schrijfster van reisverhalen, romans en andere genres. Haar totale oeuvre zou uiteindelijk meer dan honderd boeken omvatten. Ook werd ze bekend als stuwende kracht achter en eindredactrice van het toentertijd enige Nederlandse vrouwenblad Penélopé (1821-1835), een succesvol tweemaandelijks tijdschrift waarin aandacht werd geschonken aan handwerken en andere ‘onderwerpen uit den vrouwelijken kring’.Een inspirerend artikel
Barbara schreef niet alleen veel, maar las ook veel. Ze las bijvoorbeeld het nieuwe Christelijk Maandblad voor den beschaafden stand. In dit tijdschrift verscheen in 1822 een artikel over de Britse quaker en gevangenishervormer Elisabeth Fry, geschreven door quaker J.S. Mollet, Zwitser van geboorte, kostschoolhouder te Amsterdam en ‘reclasseringspionier’. Wellicht heeft Barbara dit artikel gelezen. Hoe dan ook. Barbara raakte diep onder de indruk van persoon en werk van Elisabeth Fry. Haar gevangeniswerk onder vrouwen juichte ze van harte toe. Zoiets zou ook in Nederland moeten plaatsvinden, zal ze hebben gedacht.Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen
Tot de kennissen- of vriendenkring van Barbara behoorde eerdergenoemde Willem Hendrik Suringar. Hij was niet alleen zelfstandig ondernemer, maar ook filantroop, gevangenenbezoeker en lid van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Barbara en Willem Hendrik correspondeerden met elkaar.Toen Suringar haar in 1823 het ontwerp tot oprichting van een Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen liet zien, reageerde Barbara enthousiast. Graag wilde ze een steentje bijdragen.
In Penélopé schonk ze aandacht aan de verrichtingen van het Genootschap. Ook spoorde ze haar lezeressen aan in het voetspoor van Fry vrouwelijke gevangenen te gaan bezoeken.
Ongetwijfeld zal deze oproep veel stof hebben doen opwaaien. Toentertijd achtten velen vrouwelijke gedetineerden ‘dubbel schuldig’: ze hadden niet alleen de wet overtreden, maar ook ‘hun vrouwelijkheid beschaamd’. Juist als vrouw hadden ze het goede voorbeeld moeten geven. Het bezoeken van gedetineerden heette geenszins passend voor vrouwen, zeker niet voor vrouwen uit ‘gegoede kringen’.
Op bezoek in de vrouwengevangenis
In Gouda was een gevangenis gevestigd. Deze gevangenis was vroeger een klooster geweest. In deze strafinrichting waren mannen en vrouwen gedetineerd. In 1837 werd deze instelling een vrouwengevangenis. In 1861 werd deze inrichting opgeheven. Het bestuur werd gevormd door regenten.De vrouwengevangenis te Gouda was de eerste van ons land. Binnen deze gevangenis bestonden velerlei problemen: overbevolking, slechte staat van onderhoud, stankoverlast vanwege de ligging bij een open riool, ondraaglijke temperaturen gedurende de zomer- en wintermaanden, enzovoort. Gedetineerden zaten onder erbarmelijke omstandigheden hun straf uit.
In de gevangenis verbleef een gemêleerd gezelschap, onder meer bestaande uit: dievegges, prostituees, geldsnoeisters en moordenaressen; ‘onbeschaafde en onbeschaamde wezens’, zo werd gezegd. Jonge, mooie vrouwen liepen gevaar geronseld te worden voor de prostitutie. ‘Hellevegen’ c.q. hoerenmadammen probeerden hun slag te slaan. Veel ontslagen vrouwen hadden geen huisvesting, werk of inkomen en belandden in ‘huizen van wellust’. Dit met alle gevolgen van dien.
Ondanks felle kritiek startte Barbara op 12 augustus 1832 met het bezoeken van gedetineerde vrouwen. Ook richtte ze een bezoekcomité op. Dit comité bestond uit de doperse predikantenvrouw Brand-Maas en uit mejuffrouw Grave. Vele jaren heeft Barbara tevergeefs gepoogd meer Goudse vrouwen te betrekken bij de gevangenenzorg. Tevergeefs! Niemand had interesse, een grote teleurstelling.
Trouw bezocht Barbara de gevangenis. Vrijwel wekelijks sprak ze tientallen gedetineerde vrouwen. Ze luisterde naar hun verhalen en schonk aandacht aan hun zorgen en problemen. Uiteraard zullen haar bezoeken niet altijd succesvol zijn geweest. In de Goudse strafinrichting zaten immers ook ‘onbeschaafde’ en ‘onbeschaamde’ vrouwen. Barbara liet zich echter niet snel uit het veld slaan. Ze was niet alleen een intelligente, maar ook een nuchtere en wilskrachtige vrouw.
Evenals het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen probeerden Barbara en haar twee helpsters vooral het geestelijk welzijn van gedetineerden te verbeteren. Het bevorderen van hun ‘zielenheil’ had hoogste prioriteit. Barbara bemoedigde de gevangenen en las hen voor uit de Bijbel. Maar dat niet alleen. Ze probeerde ook de gevangenisdirecteur ervan te overtuigen maatregelen te treffen de ronduit mensonwaardige leefomstandigheden van veroordeelde vrouwen te verbeteren. Ook aan de lichamelijke gezondheidsituatie van de veroordeelden moest worden gedacht.
Ontmoeting met Elisabeth Fry
Via eerdergenoemde quaker Mollet, secretaris buitenland van het Genootschap, was Elisabeth Fry op de hoogte geraakt van het gevangenenbezoek van Barbara en haar medewerksters. In 1833 schreef ze Mollet een brief waarin ze aangaf verheugd te zijn over het feit dat Nederlandse vrouwen gevangenen bezochten.Zeven jaren later (1840) kwam Elisabeth voor de eerste keer naar Nederland. Ze bezocht verschillende strafinrichtingen, ook de vrouwengevangenis te Gouda. Daar ontmoette ze Barbara en haar medewerksters. Barbara was verguld toen Elisabeth haar een geschenk gaf en haar als ‘vriendin’ betitelde.
Elisabeth had forse kritiek op de vrouwengevangenis. Het gebouw was overvol en ongeschikt. Ook ontbraken vrouwelijke bewaarders. In 1841 kwam Elisabeth weer op bezoek in Nederland. Ze wilde controleren of haar adviezen ook gepraktiseerd werden. Tijdens dit tweede bezoek werd Elisabeth hartelijk ontvangen door koning Willem I en andere hoogwaardigheidsbekleders. Haar naam was een begrip geworden.
Contact met Ottho Gerard Heldring
Barbara onderhield niet alleen contacten met Willem Hendrik Suringar, maar ook met andere invloedrijke personen. Bijvoorbeeld met dominee Ottho Gerard Heldring (1804-1876), hervormd predikant te Hemmen in de Overbetuwe; een sociaal bewogen en bevlogen man. Zo probeerde hij het ellendige bestaan van de armoedige plattelandsbevolking te verbeteren.In 1847 bezocht Heldring de vrouwengevangenis te Gouda. Dit bezoek raakte hem diep, choqueerde hem zelfs. Zo zag en hoorde Heldring hoe meisjes voor de prostitutie werden geronseld. Enkele vertwijfelde vrouwen vroegen zijn hulp en steun. Vrijwel onmiddellijk besloot Heldring tot actie over te gaan.
In Zetten, Gelderland, werd een opvangcentrum voor ontslagen en ‘gevallen vrouwen’ opgericht: Asyl Steenbeek. Patriciërdochter Petronella Voûte (1804-1877), een ongehuwde vrouw, was de eerste directrice van dit tehuis. Vrijwel heel haar vermogen investeerde ze in Steenbeek. In eerste instantie stuitte haar werk op groot wantrouwen, later ontstond meer begrip. Gedurende ongeveer dertig jaren zette ze zich met hart en ziel in voor ‘haar meisjes’.
Ook met Petronella onderhield Barbara contacten. Wellicht zal ze een aantal ‘cliënten’ hebben doorverwezen naar Asyl Steenbeek.
Ideologie
Barbara, een domineesvrouw, was diepgelovig en maatschappelijk geëngageerd. Haar denkbeelden vertonen vooral verwantschap met de denkbeelden van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het Nut zag volksontwikkeling – vooral onderwijs – als belangrijkste oplossing voor allerlei sociale problemen. Barbara verwachtte veel meer heil van opvoeding, dan van bekering. Mensen moesten leren zichzelf te ontwikkelen en te helpen. Dat had zijzelf ook gedaan. ‘Mensch! Help u zelf en God zal u helpen!’, zo luidde haar credo.Afscheid en overlijden
Als ‘bezoekvrijwilligster’ verrichtte Barbara gedurende ongeveer twintig jaren ‘reclasseringsarbeid’. Op 7 februari 1853 schreef ze een afscheidsbrief met dankbetuiging aan de directeur van de Goudse vrouwengevangenis. Eén week later overleed ten gevolge van borstvliesontsteking. Alom werd haar dood diep betreurd. Een plechtige uitvaart volgde.
Bij haar overlijden werd Barbara ‘De Kroon van Gouda’ genoemd. In de hervormde Sint Janskerk te Gouda werd een gedenksteen voor haar geplaatst met als opschrift: ‘Hulde aan Neerlands Kindervriendin’. Ook werd ze geëerd met de titel ‘Vriendin van de gevangenen’. Velen beschouwden haar als de Nederlandse Elisabeth Fry.
Barbara’s dochters namen haar ‘reclasseringswerk’ over.
Pionier
Barbara was een zeer bijzondere vrouw. Ze week van gebaande wegen af. Op velerlei gebied was ze haar tijd ver vooruit. Ze was een reclasseringswerkster avant la lettre!Vooral feministische historici bestempelen haar als pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging, pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs en wegbereidster van sociaal werk als vrouwenberoep.
Anno 2009
Tegenwoordig zijn er verschillende organisaties actief binnen de justitiesector c.q. op reclasseringsgebied. Binnen al deze organisaties zijn betrekkelijk vele vrouwen werkzaam, niet alleen als beroepskrachten, maar ook als vrijwilligsters. Denk bijvoorbeeld aan landelijke organisaties als Stichting Reclassering Nederland, Stichting Exodus Nederland en Humanitas.Beroepskracht of vrijwilliger, man of vrouw, zonder een gezonde dosis idealisme en passie is reclasseringswerk niet mogelijk!
Geraadpleegde bronnen:
nl.wikipedia.org/wiki/Anna_Barbara_van_Meerten-Schilperoort - 24k –
www.iisg.nl/bwsa/bios/schilperoort.html -
www.dbnl.nl/auteurs/auteur.php?id=meer032 - 4k -
www.volkskrantblog.nl/bericht/188196 -
Auteur
Marcel Krutzen (Heerlen, 1959) is sinds 1986 reclasseringswerker in het arrondissement Maastricht.