Hoeveel genderverschil kan een kerk verdragen?
Anne-Claire Mulder
Onlangs werd ik getroffen door de volgende kop op de voorpagina van de Engels krant The Times: ‘”Gender havens” to avert split in Church’. Het artikel ging over een voorstel van een adviescommissie van de Church of England om parochies de mogelijkheid te geven een andere bisschop te kiezen dan degene waaronder ze op geografische basis zouden vallen, in het geval hun bisdom geleid zou worden door een vrouwelijke bisschop. Door spiritual havens of ‘gender havens’ voor tegenstanders van het vrouwelijk priesterschap in te stellen zou de wijding van vrouwelijke bisschoppen mogelijk moeten worden zonder ‘de substantiele minderheid van tegenstanders van de Church of England te vervreemden’. Het voorstel werd volgens de krant gedaan in ‘een wanhopige poging om de eenheid van de Anglicaanse Gemeenschap te bewaren temidden van de intense woede van miljoenen conservatieve leden van de kerk’.
Religieuze autoriteit van vrouwen
Dit bericht geeft een inkijkje in de wijze waarop religieus leiderschap en autoriteit van vrouwen de gemoederen van een kerkelijke gemeenschap kan verdelen. Het bericht moedigt ook aan om nog eens scherp te kijken naar de stand van zaken op het gebied van religieus autoriteit van vrouwen en ‘gender’ in het algemeen in het Nederlands kerkelijk landschap van dit moment.
Op het eerste gezicht lijken genderissues ‘ons’ in de grote kerkgenootschappen nauwelijks te verdelen. De grootscheepse reorganisaties binnen de bisdommen kunnen op veel aandacht rekenen, maar de sluipende marginalisatie van de positie van pastoraal werksters waar die reorganisatie mee gepaard gaat, wordt stilzwijgend geaccepteerd. Incidenteel treedt er even een publicitaire storm op als de nieuwe aartsbisschop de laatste - enige – vrouw uit zijn bisdomstof verwijderd, maar verder komt het niet. De theologische opleidingen van de RK-kerk kunnen op zo’n manier herverkaveld worden dat toekomstige ambtsdragers/ pastoraal medewerkenden alleen nog maar door kerkelijk goedgekeurde mannen – en een incidentele vrouw op randkerkelijke vakken als sociale en godsdienstwetenschappen en, vooruit, kerkgeschiedenis - worden opgeleid: geen haan die er naar kraait.
Ook in de PKN lijkt ‘gender’ op het eerste gezicht geen issue dat de geesten scheidt. De PKN heeft vrouwen toegelaten in de ambten. PKN-ers weten dat Gereformeerde Bondsgemeenten daar tegen zijn en respecteren dat; er zijn praktische omgangsregels voor gevonden, dus...Maar daarmee is de discussie over de religieuze autoriteit van vrouwen niet verstomd; ze is alleen verplaatst en geworden tot een thema binnen de Gereformeerde Bond zelf.
Ook op het tweede gezicht kun je vragen stellen bij de stilte rondom religieuze autoriteit en genderissues in de PKN. Want heeft de kwesitie van ‘de vrouw in het ambt’ echt helemaal geen rol gespeeld in de discussies rondom de afsplitsing van de Hersteld Hervormden – al werd dat in het openbaar nooit genoemd als reden voor de afscheiding? Of, hoe zien de man-vrouwverhoudingen eruit na de reorganisaties op de verschillende regionale dienstencentra en het Landelijke Dienstencentrum, en welke rol speelde ‘gender’ in het verloop van die reorganisaties? Wat betekent het - vanuit het oogpunt van erkenning van autoriteit van vrouwen – bijvoorbeeld dat veel expertise op het gebied van zgn ‘vrouwen-’onderwerpen is weggereorganiseerd? Of wat betekent het openstellen van de ambten voor vrouwen voor de inhoud, vormgeving en waardering van die ambten?
Als novice op het gebied van gemeenteopbouw en geïnteresseerd in het thema ‘kerk als gemeenschap van gelijken waarin verschil gerespecteerd wordt’, trof het mij dat ‘gender’ ook nauwelijks tot geen thema is in de min of meer recent verschenen literatuur op het gebied van gemeente-opbouw. Soms wordt het patriarchale karakter van bestaande kerken in een tussenzin genoemd - gemeente als herberg - of wordt er een paragraaf gewijd aan man-vrouwverschillen in een groep - De weg van de groep. Maar vaker is ‘gender’ afwezig als thema of als perspectief op kwesties die spelen in gemeenteopbouw en in de omgang met elkaar. Dat trof mij, omdat ik - met mijn specifieke op genderontwikkelingen gerichte blik - tal van ontwikkelingen meen waar te nemen binnen kerkelijke (wijk-)gemeenten en kerken, waarin genderverhoudingen en - betekenissen, een belangrijke rol spelen.
Vragen bij ontwikkelingen
In het volgende zal ik een aantal van die ontwikkelingen noemen. Daarbij gaat het vooral om de vragen en hypothesen die deze eerste impressies bij mij oproepen. De vragen en hypothesen komen voort uit mijn idee dat kerkelijke gemeenschappen ernaar zouden moeten streven om gemeenschappen van gelijken te worden waarin het onderlinge verschil voluit tot zijn recht komt. Want juist de diversiteit in geloofservaringen en -opvattingen evenals de verscheidenheid in genadegaven kunnen haar tot bloei brengen. Bovendien zijn die vragen gebaseerd op een opvatting van ‘gender’ die in vrouwen-en genderstudies gemeengoed is en die ik hier (wellicht ten overvloede) kort samenvat.
‘Gender’ wordt binnen vrouwen –en genderstudies beschouwd als een van de belangrijkste ordeningsprincipes binnen een cultuur en/of groep is. Het is verweven met andere ordeningsprinicpes als rasse en klasse en verandert daarom steeds opnieuw van betekenis en uitwerking in de levens van mensen. Culturele evenals groeps- en individuele identiteit is daarom altijd een ‘gegenderde’ identiteit. Daarnaast richten genderstudies zich niet alleen op vrouwen en vrouwelijkheid, maar evenzeer op mannen en mannelijkheid. In sociaal-wetenschappelijke studies is de getalsmatige verhoudingen tussen vrouwen en mannen binnen en over functies een belangrijk begin van de genderanalyse, evenals de verschuivingen in de de verhoudingen tussen de seksen of in de rolopvattingen van mannen en vrouwen, ook al omdat die een aanknopingspunt vormen voor het onderzoek naar hetgeen in een cultuur of groep geldt als mannelijk en/of vrouwelijk. Dit onderzoek gaat echter verder dan analyses van stereotyperingen van gedrag of voorkeur, maar betreft vooral ook het gegenderde karakter van onze manier van denken, dat gekenmerkt wordt door het werken met tegenstellingen – licht versus donker, wit versus zwart, publiek versus prive, arbeid versus zorg, God versus mens, mannelijk - vrouwelijk etc. - In deze (reeks van) tegenstellingen is bovendien een waardering verborgen. Het gaat hier dus niet om twee uitersten van een spectrum, maar om een hierarchische verhouding tussen twee begrippen, en wel zo dat hetgeen ‘hoger’ aanzien heeft gelabelled wordt als ‘mannelijk’ en hetgeen ‘lager’ wordt gewaardeerd gezien wordt als ‘vrouwelijk’. Die waardering heeft op zijn of haar beurt weer invloed op het gedrag van vrouwen en mannen en op de machtsrelaties tussen hen.
Wat betekent dit nu voor mijn blik op kerkelijke gemeenschappen?
Feminisering van het grondvlak?
Laat ik beginnen bij het grondvlak. In de meeste zondagse kerkdiensten zitten er meer (oudere) vrouwen dan mannen in de zondagse kerkdienst of viering. Hoe deze waarneming te interpreteren? Weerspiegelt dit een demografisch gegeven? In dat geval zou het dus zo zijn dat er meer (oudere) vrouwen dan mannen in de kerk zitten, omdat vrouwen op dit moment nog ouder worden dan mannen en er dus op den duur een groter aantal vrouwen dan mannen is in Nederland en dus ook in de kerk. Dat is een mogelijke verklaring, maar is ze toereikend?
Allereerst rijst de vraag of die zondagse werkelijkheid misschien ook een getalsmatige werkelijkheid weerspiegelt. Zijn er misschien meer vrouwen dan mannen lid van een kerkgenootschap? Hoe zit het met de leeftijdsopbouw van de leden in verhouding tot hun geslacht? Hoe zit het bijvoorbeeld met de man-vrouw verhouding bij de leden tussen 25 en 55 jaar, een groep waarin de ontkerkelijking het meest heeft toegeslagen, of bij de nieuwe lidmaten? Als ik mijn waarnemingen in mijn eigen kerk zou veralgemeniseren, dan doen er elk jaar opnieuw meer vrouwen dan mannen belijdenis in de PKN.
Op al deze vragen naar getalsmatige man-vrouwverhoudingen in de kerken heb ik geen antwoord kunnen vinden omdat er geen cijfers over beschikbaar (lijken te) zijn. Ook het SCP rapport uit 2006 over Godsdienstige veranderingen in Nederland geeft er geen antwoord op, omdat de cijfers over kerkelijke binding en participatie niet uitgesplitst zijn naar ‘gender’.
De antwoorden op deze vragen zijn echter wel van belang, omdat ze de intuitieve waarneming dat er op tal van plaatsen sprake is van een feminisering van de kerk, zouden kunnen bevestigen of tegenspreken. Ook zouden zulke cijfers inzichtelijk kunnen maken in welke kerkelijke gemeenschappen dit een sterke trend is en in welke niet. Ik kom daar nog op terug.
‘Gender’ en de ambten in de PKN
Volgend jaar is het 40 jaar geleden dat de Gereformeerde Kerken in Nederland de kerkelijke ambten openstelde voor vrouwen. De Nederlands-Hervormde Kerk was haar 3 jaar eerder voorgegaan. Aan die besluiten was meer dan een halve eeuw discussie voorafgegaan. Daarin speelden niet alleen bijbels-theologische argumenten voor of tegen een rol, maar ook het feit dat ambtsdragers het ‘opzicht’ over de gemeente hadden. Het idee dat een vrouw het opzicht zou hebben over een man bleek lange tijd een hinderpaal voor de openstelling van de ambten voor vrouwen. Pas nadat het profiel van het ambt was verschoven van ‘opzicht over de gemeente’ naar ‘dienst aan de gemeente’ én toen in het maatschappelijke leven vrouwen doordrongen tot de regering (Marga Klompé!), viel dát argument tegen vrouwen in het ambt weg en kon de weegschaal naar openstelling van de ambten ‘positief’ doorslaan.
Omdat het diakenambt een zeer sterk ‘dienend’ profiel had en dus bij uitstek geschikt geacht werd voor vrouwen, werden vrouwen de eerste jaren na de openstelling diaken. Maar in de jaren daarop werden ook vrouwelijke ouderlingen en predikantes beroepen.
Het KASKI-onderzoek naar ambtsdraagsters in de PKN uit 2006,(1) laat zien dat het aandeel vrouwelijke ouderlingen en diakenen in de PKN op dit moment ongeveer 41 % is, dat 19 % van de predikanten een vrouw is en 11 % van de kerkrentmeesters. Deze cijfers zijn gemiddelden, want bij de Gereformeerde Bondsgemeenten is volgens het rapport het aandeel vrouwen in de kerkenraad ongeveer 1 % (hier en daar zijn vrouwen bevestigd tot ouderling) terwijl dat aandeel bij ‘vrijzinnige’ gemeenten 53 % is. Deze cijfers bevestigen het bestaande genderstereotype dat functies waarbij geld beheerd moet worden door mannen worden bekleed. Immers 89 % van de kerkrentmeesters is mannelijk en ook in vrijzinnige gemeenten is het aandeel mannen bij de kerkrentmeesters nog 76 %. Ze geven bovendien een richting aan: hoe vrijzinniger, hoe meer ruimte voor vrouwen in de ambten. De bovengenoemde intuitie dat er mogelijk sprake is van een feminisering van (bepaalde delen van) de kerk, wordt dus bevestigd door de cijfers over vrouwelijke ambtsdragers in de PKN – zeker waar het het aandeel vrouwen op plaatselijk niveau betreft. In middenorthodoxe gemeenten is het aandeel vrouwelijke ouderlingen en diakenen 52 % en bij de vrijzinnige gemeenten liggen de percentages hoger.(2)
Vanuit een emancipatoir streven naar gelijkheid van mannen en vrouwen stemmen deze cijfers tot tevredenheid: immers in middenorthodoxe kerkgemeenschappen lijkt er sprake te zijn van evenredige vertegenwoordiging. Maar de cijfers stemmen mij toch niet echt gerust.
Dat heeft te maken met het gegeven dat een aandeel van 20-30 % vrouwen wordt gezien als een ‘kritische massa’ in een organisatie: bij een hoger aantal treedt echter een ‘backlash’ op.(3) Die ‘backlash’ kan vele vormen aannemen: een daarvan is dat de organisatie, vergadering of comité gezien wordt als ‘vrouwelijk’ en daarmee aan betekenis of gezag verliest. Daardoor worden ze minder aantrekkelijk voor mannen: de oververtegenwoordiging van vrouwelijke ouderlingen en diakenen in vrijzinnige PKN-gemeenten wijst op die tendens
Een ander reactiepatroon is het herordenen van taken op een zodanige manier dat de taken met een hogere status worden afgezonderd en vooral aan mannen worden toebedeeld: het instellen van een (nieuwe) laag in de organisatie die alleen door
(1) Dit onderzoek is op 21-11-2006 gepresenteerd op het Protestants Dienstencentrum. Aan dit onderzoek is nauwelijks ruchtbaarheid gegeven. Het is verricht op voorstel van de Oecumenische Vrouwensynode, om de cijfers en de trends binnen de PKN te kunnen vergelijken met een onderzoek van het KASKI uit 2000 naar het aandeel vrouwen in bestuurlijke organen binnen de Rooms Katholieke Kerk.
(2) aandeel vrouwen in ambtelijke functies naar geestelijke ligging in procenten
ouderlingen
Diakenen
predikanten
Kerkrentmeesters
Gereformeerde bond
1
<1
0
0
confessioneel
37
34
2
1
Midden
52
52
30
13
Vrijzinnig
73
66
35
24
Totaal
41
41
19
11
(3) Christiane Grumm (2007), In search of a round table, in M.R.A. Kanyoro (ed), In Search of a Round Table. Gender, Theology and Church Leadership, Geneva: WCC, p. 28-39, ihbz p. 32
mannen of grotendeels door mannen wordt bevolkt. Dit laatste proces is door de Amerikaanse sociologe Paula Nesbitt in kaart gebracht in een onderzoek naar de reacties van kerkelijke organisaties op de toestroom van vrouwelijke ambtsdragers. (4) Beide reactiepatronen hangen overigens met elkaar samen.
Het eerstgenoemde fenomeen staat in de sociologie bekend als ‘De Wet van Sullerot’. Volgens die wet, genoemd naar de franse sociologe Evelyn Sullerot, daalt het aanzien van een beroep dat ook toegankelijk is voor vrouwen, hetgeen met zich meebrengt dat steeds minder mannen daar interesse voor zullen vertonen. De vraag is op welke manier deze wet zich vertaalt in het handelen van gemeenteleden.
In hoeverre laten potentiele vrijwilligers en ambtsdragers zich bij hun keuze leiden door de getalsmatige genderverhoudingen binnen de werkgroep of raad waar ze voor gevraagd worden? Bedanken ze als er meer dan 30 % vrouwen in een groep zitten of maakt dat niet uit? Of wordt hun keuze beinvloedt door de (vaak niet bewuste) overweging of het profiel van een bepaald ambt of taak past bij de eigen ‘gender’identiteit? Want ook dat verandert door de toestroom van vrouwen. Dat blijkt uit de verschuiving in het profiel van het ambt van ouderling: van opzicht naar pastorale zorg, vaak ingevuld als koffiedrinken met een ander.(5)
Kortom, past het kerkrentmeesterschap (inderdaad) beter bij de genderidentiteit van mannen, dan het ambt van ouderling? Of gaat het bij de dominantie van het percentage mannelijke kerkrentmeersters eerder om een ander mechanisme, namelijk dat taken met een hogere status – of met meer feitelijke invloed - vooral aan mannen worden toebedeeld? Zou zo’n zelfde trend dan waar te nemen zijn bij de her en der ingesteld beleidsgroepen binnen plaatselijke kerkenraden – zijn die ook merendeels door mannen bevolkt? En, hoe zou je die laatste ontwikkeling dan moeten interpreteren? Gaat het hier om de houding van vrouwen ten opzichte van leidinggeven; eenzelfde houding waardoor er zo weinig vrouwen op topposities zijn? Is het een uitkomst van een gaventest – op grond waarvan vrouwen een grotere gave (b)lijken te hebben voor ‘vrouwelijke’ activiteiten als pastoraal bezoekwerk, of zoiets als het dossier WMO in de diakonie, dan voor beleids- of geldvragen? Of gaat het hier om de tweede hierboven genoemde reactie op de toestroom van vrouwelijke ambtsdragers: namelijk om een zodanige herordening van taken dat het imago en de status van het ambt worden hersteld.
In dit geval zou het dan gaan om het verschijnsel dat een kerkelijke functie een zodanig profiel krijgt dat die voor mannen aantrekkelijk is, omdat hij niet te zeer op gespannen voet staat met heersende voorstellingen van mannelijkheid en mannelijke identiteit.
Deze fenomenen zie ik overigens niet als het effect van bewust handelen, maar als een voorbeeld van ‘doing gender’: het doorgeven, bestendigen of vervormen van heersende genderbetekenissen in alledaagse handelingen en reacties op de gebeurtenissen of ontwikkelingen.
Verschuivingen in theologische inhouden?
In de hierboven genoemde opsomming van waarnemingen en vragen heb ik slechts kort aangestipt dat het grote aantal vrouwen dat een ambt bekleed en/of
(4) Anne Marie Korte interpreteert de geringe doorstroom van vrouwen naar leiderschapsfuncties in de RK-kerk vanuit deze door Paula Nesbitt beschreven sociologische trend. Anne Marie Korte (2003), De erkenning van het religieuze leiderschap van vrouwen: een ‘moderne’ kwestie, in Tijdschrift voor Theologie, jrg 49 (2003), 2, p 113-123, ihbz p.121-123.
(5) Zie hiervoor Martine Bakema en Lies Sluis-Sluis (red), 1994, Een ander ambt. Vijfentwintig jaar vrouwen in het ambt in de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kok: Kampen.
vrijwilligsterswerk doet in de kerk tot andere invullingen of opvattingen van de ambten kan leiden en vervolgens ook tot andere accenten in theologische inhouden.
Ik noem twee voorbeelden.
De wijze waarop een eerste generatie vrouwelijke ouderlinges haar ambt invulde – ‘dienst’ uitgedrukt als al koffiedrinkend aanwezig zijn bij het leven van gemeenteleden – kan niet alleen beschouwd worden als een andere profilering van het ambt, ze zou ook kunnen wijzen op een ‘andere’ spiritualiteit dan de tot dan toe dominante, namelijk een spiritualiteit van relationaliteit en van God’s presentie in het alledaagse.(6)
Ten tweede liet het IKON-onderzoek naar de Godsbeelden van predikanten een verschil zien in de spiritualiteit tussen vrouwen en mannen dat hierbij aansluit: volgens dat onderzoek houden vrouwen er een immanenter Godsbeeld op na dan mannen. Of en op welke wijze zo’n godsbeeld samenhangt met een andere vorm van religieus leiderschap is in Nederland niet onderzocht. Onderzoek uit de Verenigde Staten suggereert dat vrouwelijke predikanten een voorkeur hebben voor wat wel een ‘co-creating ministry’ wordt genoemd – een niet-hierarchische stijl van leiderschap van de predikante.(7) Gezien de relatie tussen een hierarchische leiderschapstijl en een transcedente Godsvoorstelling lijkt het geen boude veronderstelling dat de relationele stijl van leiderschap van vrouwen samenhangt met haar meer immanente Godsvoorstelling.
Uitleiding
Ik begon dit artikel met de opmerking dat genderissues de grote kerkgenootschappen in Nederland niet zo diep verdelen als de Church of England nu verdeeld lijkt.
Schijn bedriegt echter, want onderhuids speelt ‘gender’ een grote, splijtende rol in de kerken. Want de door mij waargenomen tendens van de feminisering van het kerkelijk grondvlak treedt niet in alle kerken en bij alle gezindten even sterk op, en ook niet bij alle generaties.
In vrijzinnige kerkgemeenschappen lijkt er meer sprake te zijn van feminisering dan in orthodoxe. Dat blijkt bijvooorbeeld uit het aandeel vrouwen in de kerkelijke ambten (en in ander kerkelijk vrijwilligerswerk).
Hoe vrijzinniger, hoe ‘feminiener’ blijkbaar, en dat in meer dan een betekenis: feminien door de getalsmatige oververtegenwoordiging van vrouwen in een groep; door de groepscultuur ‘waarin mannen en vrouwen beide open, niet hiërarchische verhoudingen prefereren en de nadruk leggen op gelijkheid’(8) en door een meer horizontaal gerichte spiritualiteit en geloof.
(6) Deze twee kenmerken ontleen ik o.a. aan Riet Bons- Storm, (2000) Kracht naar Kruis. Pastoraat met oudere vrouwen, Kampen Kok; idem (2007) Gezegend leven. Op weg naar een pastorale gemeente in een verbrokkelde wereld, Gorinchem: Narratio, en aan Maaike de Haardt (2002), Grond onder de Voeten. De uitdagingen van de leeropdracht 'Vrouwen, geloof en cultuur', in Gender. Tijdschrift voor Genderstudies, 5 (2002), 4, p. 62-76.
(7) Lynn Rhodes (1987), Co-Creating: a feminist vision of ministry, Philadelphia: Westminster.
(8) Zo’n cultuur wordt door sociaal wetenschappers van de universiteit van Tilburg ‘feminien’ genoemd, terwijl zij een cultuur ‘masculien’ noemen, waarin structuren en concepten van onderscheid en hierarchie worden benadrukt. Johan Verweij en Peter Ester, “Secularization as an economic and cultural phenomenon: A cross-national analysis,” Journal for the Scientific Study of Religion 36 (1997), nr. 2, 309-325, geciteerd in.Anne Marie Korte (2003), de erkenning van religieus leiderschap van vrouwen, p. 114/115.
Kerken met zo’n ‘feminiene’ cultuur zijn echter kwetsbaar, omdat ze in sterkere mate dan orthodoxe kerken beinvloed worden door secularisatieprocessen.(9)
Het lijkt erop dat ook dit secularisatieproces gegenderd is, en wel doordat er getalsmatig meer mannen dan vrouwen vertrokken of vertrekken uit die gemeenschappen, bijvoorbeeld omdat mannen uit die gemeenschappen de spanning tussen geloof en rede oplossen ten gunste van de rede, en zichzelf dus beschouwen als niet-gelovig of spiritualiteit als ‘zweverig’ en typisch vrouwelijk of voor vrouwen. Het is ironisch dat het erop lijkt dat kerken die het meest open staan voor het ideaal van de kerk als ‘een gemeenschap van gelijken waar verschil gerespecteerd wordt’, het gevaar lopen om ‘vrouwenkerken’ te worden, in de letterlijke betekenis van het woord. Vanuit dat ideaal vind ik dat geen goede ontwikkeling, omdat ik er juist van overtuigd ben dat de kerk bloeit in en door de diversiteit in manieren van doen, geloofsopvattingen en –ervaringen.
Dat vraag echter wel bewuste aandacht voor de gender- en diversiteitissues.
Dit is een uitgebreide versie van een tekst die eerder verschenen is in de Nieuwsbrief van het Werkverband Kerkelijke Opbouwwerkers (WVKO) juni 2008.