De vreemdeling als bacil. Haatpropaganda in het Derde Rijk
Jud Süss, de roman van Lion Feuchtwanger, werd in 1940 door de Nazi-cineast Veit Harlan verfilmd. In 1941 werd deze film in Nederland uitgebracht en hij was een groot succes. Enige weken later begonnen de vechtpartijen in de Amsterdamse Jodenbuurt, culminerend in de dood van WA-man Koot. Dit leidde tot de eerste razzia’s en deportaties, maar óók tot de Februaristaking. De antisemitische stereotypering in deze film is zó berucht, dat vertoning aan strenge voorwaarden gebonden is. Het filmsymposium Propaganda! Regie van oorlog en vrede, georganiseerd door het NIOD en het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies, bracht op 7 februari een éénmalige reprise.
de film
Prof. Dr. Evelien Gans en Drs. David Barnouw gaven een toelichting op wat aanvankelijk een gewone kostuumfilm lijkt. In 1733 neemt de hertog van Würtemberg, een Duits deelstaatje, een nieuwe minister van Financiën aan, Joseph Süss Oppenheimer. Het beroep van financier en geldschieter was een van de beroepen die openstonden voor Joden, vanuit een hypocriet verbod voor christenen op ‘woeker bedrijven’. Door de internationale contacten van de Joodse elite kon iemand als Oppenheimer in de gunst komen van een vorst die bevreesd was voor de macht van de opkomende burgerij. Het verhaal van zijn lotgevallen en zijn uiteindelijke – zelf veroorzaakte - ondergang bleek als propagandamiddel en haattaal veel effectiever dan de lange film Der ewige Jude, die aan elkaar hing van bijna ongeloofwaardige beelden.
De hertog, die absoluut vorst wil zijn met een groots hof vol pracht en praal net als Zonnekoning Lodewijk de 14e, geeft opdracht tot de invoering van een nieuw tol- en belastingstelsel. Dit roept bij de in gilden en gefantaseerde ‘raad van advies’ georganiseerde burgerij fel protest op. De film voorziet in een aantal stereotypen die de Neurenberger Wetten een legitimatie vanuit de onderbuik moesten geven. Centraal stond in deze wetten de uitsluiting van Joden uit de samenleving. Een sleutelscène in de film is het moment dat Süss zijn baard afscheert en zijn kaftan verwisselt voor een rococopak. Zo is hij niet meer herkenbaar als Jood (behalve voor de held van het volk, die later in opdracht van Süss gemarteld zal worden) en kan als een ‘bacil’ binnendringen in een gezonde maatschappij en de verhoudingen tussen vorst en volk vergiftigen. Een van zijn eerste daden is het opheffen van het verbod voor Joden de stad te betreden. De toelating wordt voorgesteld als een intocht van haveloze smerige mensen, een soort ongedierte dat binnentrekt. De boodschap: kijk uit voor geassimileerde Joden – die zijn eigenlijk nóg gevaarlijker! Als stereotype karaktereigenschappen krijgt Süss sluwheid, pronkzucht, perverse wensen – seks met christenvrouwen, die ook nog verloofd of getrouwd zijn –, geldhonger en ten slotte extreme wreedheid toegemeten. Het was voor de Nazi’s van belang te benadrukken hoezeer Joden als vreemdelingen, als ambitieuze buitenstaanders een gevaar vormden voor de samenleving. Veel nadruk krijgt het uitbeelden van das gesundes Volksempfinden. Het volk heeft als eerste door dat de nieuwe maatregelen, uit de koker van Süss, ontwrichtend zijn. Niet werken voor je geld maar tol heffen, onrechtvaardige rechtspraak en de vorst een rad voor ogen draaien zodat hij geheel van zijn trouwe raadslieden vervreemdt. Ten slotte, tegen het eind van de film, de apotheose: bloedschande. Verkrachting van een ‘zuiver christelijk meisje’ , weliswaar getrouwd maar door omstandigheden nog maagd. Deze heldin stort zich vervolgens in de rivier en als haar man, de held, met het dode lichaam in zijn armen de stad binnenkomt is voor het volk de maat vol. De vorst sterft – hij heeft zich een beroerte gegeten en gedronken – en dan is de ‘hofjood’ vogelvrij en kan terechtgesteld worden.
geen diversiteit
Kenmerk van stereotypering is het met kwade bedoelingen ontkennen van iedere vorm van diversiteit. Het is het vooroordeel in zijn uiterste vorm. In deze film is het verhaal met zoveel raffinement en overtuigingskracht verbeeld, inclusief nauwelijks merkbare camerastandpunten, beeldassociaties die bedoeld waren om bijna onbewust te worden opgenomen, dat je bijna bewondering krijgt voor de cineast en de talentvolle minister van propaganda die opdracht had gegeven. Zijn naam was Joseph Goebbels.
Inge Cohen Rohleder