vierkantje Hypermama Sanne Bloemink, Meulenhoff 2008

“Hypermama” geeft een mooi en genuanceerd beeld van het moederschap aan het begin van de 21e eeuw in New York, binnen de welgestelde middenklasse. Een moederschap buiten iedere proportie. Competitie, consumentisme en angst vormen bij elkaar de drijvende kracht achter deze in Nederlandse ogen compleet neurotische levens. Pendelend tussen de schijnkeuze van een fulltime baan of een fulltime moederschap, van binnenuit aangevreten door een chronisch schuldgevoel en besef van tekort schieten, proberen de jonge moeders van de generatie x hun weg te vinden in de commerciële doolhoven van het ouderschap. Overal  loeren de gevaren, in huis de kleine, buitenshuis de grote. De constante druk van een samenleving die nog veel meer dan de Nederlandse prestatiegericht is, het geweld van de reclames die kinderen en ouders overspoelen, de nadruk op geld verdienen, de “paycheck” van de vaders – het geheel doet bizar aan. Moeders die met het curriculum vitae van hun baby in het achterhoofd beginnen met cursussen Chinees – voor de baby! Wat zijn ze daar toch geschift, aan de andere kant van de oceaan. Toch toont Bloemink gedocumenteerd aan dat het hier thuis, op kleinere schaal en in gematigder vorm, precies eender toegaat, al is de Nederlandse maatschappij met zijn mogelijkheden voor deeltijdwerk en iets minder starre gender-patronen aardiger voor moeders.

Iets van wat hier beschreven wordt, met name de geestige verslagen uit haar eigen gezin, zijn natuurlijk herkenbaar voor zowel oudere als jonge moeders. Dat je moe wordt van het opvoeden van kinderen, en dat hun wel en wee je achilleshiel is en blijft, is geen nieuws. Dat een van de centrale elementen van het moederschap het enorme verlies aan controle is en dat dit vooral in het begin de betrokkene met wanhoop vervult, zal niemand verbazen. Maar de verregaande “professionalisering” van dit soort hypermoederschap, het constante streven naar perfectie (of de schijn ophouden van perfectie) geeft te denken, vooral als je het relateert aan de greep die het economisch systeem op de Amerikaanse bevolking heeft. Op het moment dat deze moeders, die meestal net als Bloemink zelf, een baan hadden en die opgaven om fulltime te gaan moederen, bloot komen te staan aan de kritiek van de diehards die het wel volhouden, moeten ze hun opvoedingstaken tot in het absurde gaan opwaarderen om hun zelfrespect te behouden en van zich af te slaan. Zo gaan ook de moeders een felle onderlinge concurrentie aan. Bloemink analyseert haar eigen situatie en gebruikt haar gezond verstand. Dit geeft haar een houvast om niet in de gekte ten onder te gaan. Maar ze geeft eerlijk toe dat ze zich vaak door twijfel overmand voelt bij de observaties van de moeders om haar heen. “Ben ik zelf ook een hypermama? “ vraagt ze zich in haar conclusie af.

In de jaren ’90 heb ik al mijn ‘linkse’ boeken (op één na) weggedaan. Ik had ze al in geen jaren meer gelezen en vond de meeste ervan apekool. Titels als “Warenstruktur und zerstörte Zwischenmenschlichkeit. Entfremdung im Spätkapitalismus”, bij voorkeur van auteurs met namen als Hans Jürgen Schweineheber-Morgenroth, in drie dikke delen – alles verdween in de container, na vergeefse pogingen om het nog te slijten aan firma De Slegte. Had ik ze maar bewaard! Als men zich door de eindeloos lange  zinnen heen had geworsteld werd toch een tipje van de sluier opgelicht van het raadselachtige verschijnsel dat in het moderne kapitalisme, met zijn afhankelijkheid van het scheppen van “valse” behoeften, met zijn niet te stillen winsthonger, alles tot koopwaar wordt. Niet alleen de verhandelbare zaken, ook de menselijke verhoudingen, inclusief die met kinderen. Alles staat in het teken van ruil en winst. Anders kan het economisch systeem niet functioneren en krijg je crisis en recessie. Daardoor is het moeilijk, misschien bijna onmogelijk, om privérelaties en intieme emoties uit de greep van het geld te houden. Iedere poging tot authenticiteit wordt direct door de winstbeluste bedrijven bij de kladden gegrepen. Denk hierbij ook aan de behoefte aan spiritualiteit - een gouden markt - en de wereld van de kunst en literatuur. Alles draait om winst en er zijn geen vrijplaatsen. Dit geldt ook voor de mythe van de hoeksteen, de veilige haven en al die andere schone titels waar het gezin aanspraak op maakt. Dat ruzie en geweld, terreur en mishandeling ook in deze welgestelde hypergezinnen voorkomt, is geen nieuws. Het antwoord van de marxisten, onder auspiciën van die oude baardaap die er zijn naam aan gaf, was het communisme, dat na de val van de Berlijnse muur, op een paar restanten na, ten onder is gegaan. De diagnose van Karl Marx was niet zo gek, zijn therapie wel…

Dat brengt me op een gemis in dit boek. Want hoewel Bloemink duidelijk stelling neemt tegen het consumentisme en oproept tot het maken van een vuist, analyseert ze niet de samenhang met het economisch systeem op macro-schaal. Het valt misschien buiten het kader van een boek als dit. En toch geeft een wat wijdere blik op de oorzaken ook de mogelijkheid tot het formuleren van een consistent tegen-ideaal. “Zó willen we het wél hebben”. Een wensdroom, maar gebaseerd op een eigen, duidelijk geformuleerd waardestelsel. (Ik vind het veelzeggend dat ze met instemming de TV-opvoedings-show voor vaders noemt, gepresenteerd door een rabbijn.) Dat ideaal hoeft niet religieus te zijn en ook niet communistisch, maar het heeft wel te maken met het solidair gebruiken van menselijke energie en van de openbare middelen. Met re-allocatie van bedrijfswinsten, op een wijze die aan de behoeften van alle burgers tegemoet komt. Op pagina 202 schetst ze een alternatief, een ideale situatie. Daarin zijn de tegenstrijdige eisen die de kapitalistische samenleving aan moeders stelt, de botsende man-vrouw-patronen in het gezin en de concurrerende behoeften van moeders verzacht of zelfs opgeheven. Zo een situatie heet Utopia, maar een maatschappij die zich niet beperkt tot “lobby” en “nee” roepen maar positieve waarden formuleert kan hier heel goed een begin mee maken. Het kan religieus of humanistisch geïnspireerd zijn, of gewoon “beschaving” heten.

Als ik nu jonggetrouwd en zwanger was zou ik proberen me ergens in Scandinavië te vestigen. Daar zijn ze echt al een eind op weg met het realiseren van Bloemink’s fantasie. Binnen een systeem dat je democratisch socialisme zou kunnen noemen worden de faciliteiten voor gezinnen geoptimaliseerd. De waardering voor zorgtaken, niet alleen in het gezin, maar ook voor ouderen en zieken, is er hoger en onderwijs en gezondheidszorg, die op een behoorlijk niveau staan, zijn gratis. Onnodig te zeggen dat er zeer veel moeders fulltime weken en dat er veel meer vrouwen in topfuncties zitten dan elders op de wereld. Het kost wel wat: de belastingen zijn erg hoog, zeker voor Amerikaanse begrippen.

Ten slotte kan het voor alle moeders, hyper of niet, geen kwaad eens in de eigen biografie en eigen ziel te kijken. Wie zich altijd schuldig voelt, en tekort voelt schieten, wie het nooit goed genoeg doet in eigen ogen, zou zich kunnen afvragen of haar eigen ouders, haar eigen moeder, misschien ooit steken heeft laten vallen. En hoe die steken nog nawerken. Voor een generatie die geboren is uit ouders die in de jaren ’60 en ’70 de boel zo nu en dan flink op zijn kop hebben gezet – terecht of niet! – een  vruchtbare bezigheid.

Ik vergat nog te zeggen dat ik dat laatste linkse modeboek, dat ik niet had weggegooid, uiteindelijk heb weggegeven, aan een vriendin die op oudere leeftijd een baby kreeg en ten onder dreigde te gaan aan haar eigen perfectionisme. Het boek was destijds een bestseller en heet: “Als ik nee zeg voel ik mij schuldig”.

Inge Cohen Rohleder

Terug naar Boekbesprekingen