vierkantje IN GROTE STILTE  
film

Al een tijdje draait in de Nederlandse bioscopen een film van Philip Gröning: ‘Into great silence’. Een film vol met stilte die je meeneemt naar de spiritualiteit van kartuizermonniken in een vallei van de Franse Alpen. Bijbelwoorden verschijnen in het begin op het witte doek: ‘De Heer ging voorbij. Een sterke wind die de bergen kloofde, ging voor de Heer uit maar de Heer was niet in de wind. Daarna kwam ’n aardbeving, maar de Heer was niet in de aardbeving. Daarna was er vuur, maar de Heer was niet in het vuur. Daarna klonk een zachte stilte.’(1 Koningen 19, 11-13).

 Je ziet een klooster in een besneeuwde landschap, omringt door bergen en bossen. Je aandacht wordt gebracht naar delen van het kloosterleven: Een novice wordt nieuw ingekleed: als nieuweling in het klooster worden hem voor het eerst de witte pij en de zwarte novicenmantel omgelegd. Een glimlach ligt op het gezicht van die jonge man: betovering, trots, het geluk van de eerste stap de nieuwe wereld in. “Als u niet alles verlaat en mij navolgt, kunt u niet mijn leerling zijn” leest de toeschouwer op het witte doek. Een leven in stilte en eenzaamheid, bewust gekozen.

 Je ziet mannen in hun witte lange habijt door de gangen van het oude kloostergebouw schuiven. Monniken in hun kloostercel: biddend, met een boek in de hand; knielend; mediterend. Weer verschijnt een tekst: “Gij hebt mij bekoord, Heer, en ik heb me laten bekoren.” Mannen in de kloosterkapel, zingend, luisterend naar de lezingen. Of etend, in hun kloostercel. Mannen die schrijven, hout hakken, de tuin onderhouden. Je kijkt en kijkt; er is geen muziek behalve de geluiden van de lepel in het bord, van de pen op het papier, van de zaag die de boomstam tot haardhout maakt. Steeds weer als de kerkklok klinkt knielt de monnik om te bidden. Mannen die in het bos werken, of in de keuken.

 In al dat gewone van het dagelijkse overleven wordt stil de blik gericht op kleine details: een bos selderie die op tafel ligt; regendruppels in het water; het bos in de wind; een schaal met fruit op het raamkozijn. Alsof de stilte de gewaarwordingen uitvergroot die anders onopgemerkt langs ons heen zouden gaan. Alle dingen dragen de rust uit van waaruit de monniken leven, alles doet mee aan de verstilling. “Als u mij met een oprecht hart zoekt dan zal ik mij laten vinden.” De toeschouwer kijkt direct in de gezichten van de monniken: zij zijn broos, bewogen, vol van leven. Met een directe blik kijken zij in de camera, kijken zij mij aan. Zij delen met mij op dit moment een stuk van hun leven. Het zijn sprekende gezichten, elk van hen zit vol van verhalen – zonder dat een van de monden opengaat. Sprekende ogen: het leven in stilte heeft hen tot de kern van het mens-zijn gebracht.

 “Ik ben niet bang voor de dood” hoor je een van de monniken aan het einde van de film zeggen.“God is goed; God wil alleen maar het goede met ons mensen. Het is zo jammer dat zoveel mensen buiten God vergeten zijn. Want welke zin heeft hun leven dan nog?”

Deze monniken worden tot getuigen: zo ver weg van mijn leven in een jachtige stad als  Amsterdam, worden deze monniken door hun leven daar, in de Franse alpen,  ineens tot getuigen van een andere werkelijkheid hier, in de intensiteit van mijn bestaan.

Bij alle drukte is er ineens ook stilte. In die stilte worden de dingen teruggebracht naar hun eenvoud, naar het wezenlijke. De stilte confronteert mij met de grote thema’s van het leven: mijn eigen vergankelijkheid, leven en dood; mijn dromen en verlangens. De stilte leert je opnieuw te kijken, te zien: de dingen aanvaarden zoals die zijn; jezelf aanvaarden zoals je bent. Een selderiestengel mag weer een selderiestengel zijn, een regendruppel is een regendruppel; en ikzelf mag er zijn en leven. God is goed.

Er zijn plaatsen van stilte, midden in een jachtige wereld. Een bioscoop is tot een plaats van stilte geworden: een kartuizermonnik kijkt mij aan, op een middag, midden in het vertrouwde Amsterdam, die bruisend drukke stad. Ik kijk met hem mee en zie. In grote stilte.

(Maria Pfirrmann)

terug