vierkantje Een bleke minnares der doden

“Turandot” van Giacomo Puccini en Luciano Berio – voorstelling in het Muziektheater in Amsterdam, gezien op 10 mei 2010.

De opera “Turandot” was in bepaald opzicht  een modeverschijnsel uit de periode rond de eeuwwisseling van de 19e naar de 20e eeuw. Men dweepte in  die tijd met het Verre Oosten: China, Japan,  Sheherazade, het Boeddhisme. In sommige opera’s en in veel beeldende kunst en binnenhuisinrichting vertaalde zich dat in duizend en één kitschprullen. “Chinoiserie” heette die kitsch. Een van de eerste dingen die in de productie van regisseur  Nikolaus Lehnhoff en dirigent Yannick Nézet-Séguin opvallen is de afwezigheid van pagodes, getrippel op halve vrouwenvoetjes en kleurige parasolletjes. Het oude verhaal is teruggebracht tot zijn essentie: de (onoverbrugbare?) tegenstelling van macht en liefde. De macht wordt verbeeld door een monolitisch , rood bastion waarin hoog boven het volk de Hemelse Keizer ongenaakbaar troont. “Moge hij tienduizend jaar leven” zingen de onderdanen, naar het thema van een oude Chinese hymne die Puccini hoorde uit zijn speeldoos, net zo’n kitschcadeau…  Puccini maakte door het hele werk heen gebruik van de Chinese pentatoniek (de “zwarte toetsen”-toonladder, die iedereen kent van de muziek in een Chinees restaurant) maar het wordt nergens “restaurant-muziek”. Puccini was een modernist, die met één been nog in de Italiaanse opera stond met zijn “verismo”, realistische emoties op toegankelijke melodieuze thema’s, maar daarnaast volop experimenteerde met klank, ritme en nieuwe orkestkleuren.

Het sprookje is gebaseerd op een bekend mythologisch thema. De prinses wil niet trouwen en vernietigt iedere vrijer met haar raadsels. “Bleke minnares van de doden” zingt het volk, dat de opkomst van de maan afwacht, wanneer de volgende (dom)kop voor de bijl gaat. Het is moeilijk om in deze productie, die schittert door zijn prachtige enscenering, belichting, kostuums en regie, nog de juiste aandacht te hebben voor de weergaloze wijze waarop Puccini, en na zijn dood eerst de onbekend gebleven Alfani en tenslotte Luciano Berio het verhaal en de wonderlijke omslag aan het slot, hebben getoonzet.

De tegenpool van Turandot, de door liefde gedreven Liu – die misschien binnen een psychologische dynamiek haar “andere kant” is, zodat de twee vrouwen eigenlijk als één geheel kunnen worden opgevat – krijgt de mooiste, innigste melodieën. Tot en met haar gruwelijke dood, waarbij de drie grappige, clowneske hovelingen Ping, Pang en Pong zich tot horrorpersonages ontpoppen, identificeert het publiek zich met haar. De zachte, menselijke Liu, die leeft voor die ene glimlach die de Prins haar ooit schonk, is gekleed als Maria in de kerststal. Maar met dezelfde aangrijpende hartstocht als Liu zingt Turandot haar eigen, wat we nu “traumatische achtergrond” zouden noemen. De gil van haar oermoeder, prinses Lo-u-Ling , verkracht en vermoord door de “vreemdelingen” is haar eigen schrille kreet geworden: “Nooit zal ik iemand toebehoren”. Ook Turandot is menselijk in haar identificatie met een andere vrouw en haar wrede ijzigheid is een bastion, nog dikker dan de ondoordringbare muren van het keizerlijk paleis. Prins Calef daarentegen explodeert bijna van liefde en passie – maar in zijn muziek hoor je de reserves, de ambivalentie, de twijfelachtige moraal van iemand die bereid is zijn trouwste vriendin aan de marteldood uit te leveren. Uiteindelijk overtuigt Calef de prinses en “geneest” hij haar,  door op zijn beurt zijn leven in de waagschaal te stellen. Juist op dat punt aangekomen wist Puccini niet meer hoe hij verder moest. De twee laatste scènes bleven onvoltooid – hij liet een dik pak schetsen vol doorhalingen na en stierf in 1924.

Berio heeft zich, niet toevallig, laten inspireren door Wagner’s “Tristan en Isolde”, het andere grote verhaal van liefde en dood, die op mysterieuze wijze in de muziek met elkaar verbonden worden. De chromatiek van Wagner’s “Liebestod” – thema hoor je terug, ondersteund door het gehamer van een xylofoon, we zijn tenslotte in China. Dat de uiteindelijke doorbraak en genezing van Turandot, waarbij Calef haar zwarte pantserjurk, een monster uit “Lord of the Ring” waardig, van haar aftrekt, toch niet iedereen in de zaal met vreugde vervult ligt misschien aan de dodelijke geschiedenis die aan hun liefde voorafging. Het lijk van Liu is blijven liggen. Leven ze dan, ondanks die bloedplas, toch nog lang en gelukkig? De muziek laat het open.

Onder de zeer geïnspireerde dirigent en met een voortreffelijke rolbezetting heeft De Nederlandse Opera wederom een productie van wereldklasse neergezet. Wel vaker blijkt dat we in dit land van maaivelden en verbeeld je maar niks, niet beseffen wat we in huis hebben. Wie zich aan wil sluiten bij de grote bewondering die DNO oogst in het “buitenland” kan ik maar één ding aanraden: koop zo snel mogelijk een kaart! Er zijn nog voorstellingen op 13, 16, 18, 21, 24, 26 en 30 mei 2010. Op 29 mei om 19.00 wordt de opera live uitgezonden op Radio 4, NPS Opera Live. Kaarten op tel. 020 – 625 5455 of www.dno.nl

Inge Cohen Rohleder