vierkantje Tan Dun: Marco Polo
Operavoorstelling van De Nederlandse Opera, gezien op 10 november 2008

(voor een introductie van deze opera: klik hier)

Symboliek, kleuren, klanken - en een vraagteken.

De indruk die achterblijft na het bijwonen van de bijna twee uur durende voorstelling van Marco Polo, in de regie van Pierre Audi en geleid door de componist zelf, is overweldigend.

Een veelheid aan kleuren, zowel van de schitterende, tijdloze kostuums als van het door de geniale belichting wisselende decor, dat eigenlijk de hele aarde voorstelt naar alle windstreken toe. Niet alleen het oosten dus, al is de oosterse sfeer overheersend door de nadruk op taoïstische basisbegrippen als eenheid van tegendelen en harmonie van mens en natuur.

Naast het visuele element is er natuurlijk de muziek. “Postmodern” in de zin van niet gebonden aan één traditie, met gebruikmaking van elementen uit de Peking Opera – met name de lange stijgende en dalende uithalen op één lettergreep – maar ook de chromatiek van het Franse impressionisme en vele citaten uit de westerse muziekgeschiedenis. Oosters is ook het spel met de beweging van de “reis”: een uiterlijk en innerlijk traject parallel te laten verlopen, de “tijdruimteboeken” van de vier jaargetijden als halteplaatsen te kiezen en alles te laten uitmonden in een lichtervaring van Marco Polo, waarbij zijn twee helften, lichaam en geest, verenigd worden. Een psychologische “Werdegang” die weer aansluit bij de West-Europese ontwikkelingsroman.

In de bak Tan Dun zelf, tenger, in het zwart, die met rustige, zakelijke bewegingen het orkest, de zangers en de bespelers van vele exotische instrumenten (waar onder Tibetaanse hoorns, bellen en klankschalen) bij elkaar houdt. Op zijn negentiende werkte hij nog op de Chinese akkers in het kader van de Culturele Revolutie. Pas na de dood van Mao kreeg hij toestemming om naar het conservatorium te gaan. In New York, die oude smeltkroes van culturen en centrum van artistieke vrijheid, kwam hij tot zijn heel eigen muziektaal en theaterconcepten.

Tan Dun zegt “ik” met dit grote werk. “Ik” als mens in een “global space”, strevend naar vrede en harmonie. Dat geeft de toeschouwer, naast het esthetisch genot, een goed gevoel. En toch, en toch. Oosterse wijsheidstradities – en communistische indoctrinatie? – wijzen de individuele emotie af als een sta-in-de-weg voor harmonie en het opheffen van leed. Op het Mahler-citaat na, uit “Das Lied von der Erde” (gebaseerd op de poëzie van Li Po) zegt niemand echt “ik”, worden geen emoties gespeeld waar de toeschouwer zich mee kan identificeren. En werken de voor westerse oren onwennige zangtechnieken met de gillende uithalen vervreemdend. Moet een opera ook ontroeren? Ik voelde me bevoorrecht dat ik een avant-garde meesterwerk als dit mocht bijwonen, met filosofische poëzie rond thema’s die de wereld vooruit helpen, op unieke wijze verklankt. Maar ik werd er verder niet warm of koud van. Ik werd er niet door geraakt. Teveel gewend aan opera’s met “de sterfscène uit La Bohème” of “de briefscène uit Jevgeni Onegin”? Ben ik gewoon een bourgeois-dametje? Of is mijn spirituele traditie, de joods-christelijke, met zijn individuele relatie van God en mens, van Ik en Gij, eigenlijk de parallelle tegenhanger van Tao en Boeddha – en moet ik nog wat werken om ze te verenigen?

 

Inge Cohen Rohleder

Terug naar Opera recensies