Lezing
Op 27 januari 2006 was de eerste FIER lezing, met als thema: Idealen en Idolen.
Désanne van Brederode
Mana
Kort geleden was er op televisie een documentaire over 'Mana', een Polynesisch woord, meen ik, voor de magische krachten die mensen aan bepaalde beelden toeschrijven. Alleen al door te kijken naar een object verandert er iets in het bewustzijn: mensen treden in contact met een spirituele wereld, vergeten hun persoonlijke ellende, voelen zich verbonden met andere beschouwers en met datgene waar het object naar verwijst, of met de maker ervan zelf. Bovendien ervaren ze dat het beeld hen kracht schenkt en hun leven eventueel ten gunste verandert. Er was te zien hoe Japanners feest vierden rond reusachtige kersenbomen, de takken beladen met bloesems, alsof ze verpakt waren in een dikke laag sneeuw. Iedereen wilde met d e toverachtige bomen op de foto en later op de avond, onder het licht van lampionnen, vloeide de sake rijkelijk en ontstonden er geanimeerde gesprekken tussen de voor elkaar wildvreemde 'kersenbloesempelgrims'. Je zag christelijke bedevaartgangers in aanbidding bij de uitstalling van de Lijkwade van Turijn, Thaise boeddhisten die een reusachtig rotsblok met goudpapiertjes verguldden en er vervolgens langdurig bij mediteerden, een man die beweerde de schedels van het echtpaar Curie in zijn bezit te hebben en de inmiddels zwart uitgeslagen, bottige, geklauwde hand van Edgar Allan Poe. De kijker leerde van alles over de verering van de Amerikaanse vlag, over het emotionele theater rond Memphis, Alabama - het Mekka voor Elvisfans van over de hele wereld.
Het meest interessante moment in de documentaire vond ik zelf het in Berlijn gedraaide filmpje over het schilderij 'De man met de gouden helm' van Rembrandt. Jarenlang was het doek de grootste bezienswaardigheid van de stad. Het hing in een aparte zaal, tegen een gebogen wand bekleed met zware, geplisseerde gordijnen - een gewijde omgeving die de museumbezoekers vervulde met ontzag. Hun snelle rondgang langs de andere schilderijen eindigde hier: in de kapel bij de man met de gouden helm. De man met de gouden helm was, volgens de Duitsers, het hoogtepunt in het oeuvre van Rembrandt, zoals Rembrandts sublieme licht- en donkervoering in algemene zin het hoogtepunt is in de westerse schilderkunst. Producten die een associatie met artisticiteit en klasse wilden oproepen, claimden Rembrandt als merknaam of gebruikten de man met de gouden helm als logo.
Maar een paar jaar geleden werd, door nieuw röntgenonderzoek, bewezen dat uitgerekend 'de man met de gouden helm' geen echte Rembrandt is. De mevrouw die het onderzoek had gedaan, deed het speciaal voor de camera's nog eens opnieuw. Ze liet zien dat de penseelvoering niet die van de haastige meester was en dat Rembrandt bovendien geen schetslijnen gebruikte om het perspectief te bepalen, terwijl die lijnen onder de verflagen wel verstopt zaten. Inmiddels hangt het schilderij in een hoek, in een zaal temidden van andere Hollandse meesters, en vermeldt het bordje dat iemand uit de omgeving van Rembrandt het doek geschilderd moet hebben. Een groepje jongeren dat in de zaal aandachtig naar een paar landschappelijke taferelen heeft staan kijken, werpt een korte blik op de man met de gouden helm, en gaat een andere zaal binnen. Eén achterblijvend meisje blijft een paar tellen langer voor het doek staan, leest het bordje en loopt dan nog net niet schouderophalend haar vrienden achterna. De mythe is weg, de 'mana' is weg.
Dat is vooral vreemd omdat het schilderij nog steeds even prachtig is. Hier is geen sprake van een kunstenaar die door de mand valt als charlatan, er is niemand opgestaan die heeft gezegd dat de keizer geen kleren aanheeft, dat het schilderij een lelijk broddelwerkje is - het is en blijft mooi.
Maar helaas niet vervaardigd door het genie Rembrandt van Rijn.
Kennelijk gaat het bij 'Mana' dus niet alleen om het magische beeld zelf, maar ook om de artiest er achter. Dat is misschien iets typisch westers (de Thaise kunstenaar die metershoge boeddhabeelden maakt, met uiterste precisie de gelaatsuitdrukkingen bijsnijdt en het gezicht vervolgens met een klein kwastje van 'make-up' voorziet, is voor de gelovigen niet interessant), maar vooral iets van deze tijd. Wij aanbidden geen natuurkrachten, geen bomen, dieren, vruchtbaarheidsgodinnen, onbekende voorouders of heiligen meer, maar mensen van vlees en bloed, van wie we bovendien veel biografische feiten (willen) kennen. Geen kunstenaar of denker komt nog weg met de mededeling dat hij zijn muziek, beelden of woorden ingefluisterd heeft gekregen in een droom, waarbij hij tussen de sterren wandelde, engelen hoorden zingen en door de hoogste God werd ingewijd. Niet alleen geloven we dergelijke onzin niet, we vinden het ook veel knapper als een persoon op eigen kracht zijn kunst heeft gemaakt, op eigen kracht tot zijn ideeën is gekomen en ons op zijn beurt persoonlijk aanspreekt, in plaats van als religieuze gemeenschap, als volk, als generatie. Kunstenaars en denkers zijn geen bemiddelaars meer tussen de spirituele wereld en de sterfelijke aardbewoners, nee, ze drukken in hun werk hun intieme beleving uit, op een door en door oninwisselbare wijze. Als hun werken ons raken, raken ze in ieder van ons weer een andere snaar.
Het geheim van de smid
Zelf heb ik idolen die ik het liefst voor mezelf houd. Iedereen mag weten dat ik de overleden Britse schrijver Graham Greene adoreer, ik spreek en schrijf ook graag over zijn werk, maar zijn boeken zal ik nooit, ook niet aan mijn beste vriendinnen, cadeau doen. Juist niet aan hen. Misschien is het enigszins vergelijkbaar met mijn huwelijk: ik wil best open zijn over de liefde die ik voor mijn man voel, maar dat is wat anders dan hem voor een weekendje wegschenken aan mijn vriendinnen, opdat zij ook eens kunnen meemaken wat mij roert, gelukkig maakt, opwindt. Deel ik 'mijn' Graham Greene niet met anderen omdat hij een man is? Misschien. Maar twee andere idolen, de schilderes Charlotte Salomon en de dagboekschrijfster Etty Hillesum, zijn vrouwen en ook hen deel ik niet graag. Ik wil namelijk één ding niet, en dat is dat anderen hun werk mooi vinden omdat ze vrouwen waren, joods waren en in kampen zijn omgekomen - want ook al zijn het vrouw-zijn en joods-zijn en de oorlog thema's in hun werk, ze verklaren het aangrijpende karakter ervan niet. Zelfs het feit dat ze allebei hopeloos verliefd waren op een veel oudere, promiscue en bijwijlen dwaze en dominante man maakt hun werk niet goed. Toch ken ik teveel bewonderaars die het uren over de tragische levens, liefdes en dappere houding van de kunstenaressen kunnen hebben, zonder me te kunnen zeggen wat hen in het wérk zo raakt.
Als een mede-fan dan toch haar bewondering motiveert, bijvoorbeeld met de woorden 'Ja, maar ik herken er zoveel in', dan kan me dat uiterst driftig maken. Zowel Salomon als Hillesum, en dit geldt ook voor mijn derde heldin, de niet-joodse dichteres Sylvia Plath, werden al op jonge leeftijd gedreven door de ambitie kunstenaar te worden; en iemand die een dergelijke ambitie, of liever hartstocht niet bezit, kán gewoonweg niet zoveel herkennen in hun werk. Natuurlijk zijn de aanvallen van somberte, de kwaadaardige gedachten over andere mensen, de jaloezie, het behaagzieke en het moedergetrut, compleet met taartenbakkerij, van Sylvia Plath voor een heleboel vrouwen herkenbaar. Maar zie het maar eens op te schrijven zoals zij heeft gedaan, zo onbarmhartig eerlijk, zo duister, zo verheven, zo hevig en beeldend en origineel. Dat is keihard werken, dat is dagelijks lezen, lezen en herlezen, jezelf kastijden, dat is de discipline opbrengen om, als de kinderen naar bed zijn, de pen te pakken en tot diep in de nacht door te gaan. Somberte of niet, een overspelige man of niet, een kinderverjaardag of niet. Charlotte Salomon, Etty Hillesum en Sylvia Plath verschillen van het merendeel van hun bewonderaars doordat zij vastberaden en met zichzelf als inzet hebben gewerkt, als paarden, aan de vormgeving van hun gevoelens en talenten. Wat een uiterst rationele, koelbloedige bezigheid is.
Dat ik mijn helden niet deel, is niet omdat ik bang ben dat hun werk in de ogen van mijn vrienden en vriendinnen tegenvalt, dat ze met eventuele kritiek de illusie waarin ik misschien leef doorprikken. Zelfs een opmerking als: 'Is dat nou alles?' zou me niet deren. Daarvoor is mijn bewondering te groot en te langdurig. Ik deel mijn idolen niet omdat ik niet wil horen dat iemand hun werk alleen maar roerend of prachtig of herkenbaar vindt, maar zich er niet door laat inspireren. Misschien acht ik mijn reeds dode heldinnen dus wel hoger dan mijn vriendinnen die leuke, creatieve beroepen hebben en vaak hartstochtelijk hun taken vervullen, maar niet van binnenuit begrijpen wat het is als je werk je leven is.
Misschien deel ik mijn idolen ook niet, omdat ik mezelf op dit punt niet wil delen. Met niemand.
Omdat ik - heel bijgelovig - aanneem dat ik, indien ik ze wel deel, meteen het geheim van de smid, dat ook voor mijzelf een geheim is en moet blijven, weggeef. En daarna misschien nooit meer iets moois uit taal en beelden kan smeden.
De mantra meeblaten
Het klinkt misschien overdreven, maar het doet me bijna fysiek pijn wanneer mensen wel genieten van kunst, zich door de schoonheid en waarachtigheid ervan laten raken en troosten, er even hun dagelijkse bestaan mee ontvluchten, maar zich niet laten omvormen door een boek, een filosofie, een schilderij, een muziekstuk, niet zelf aan de slag gaan met wat hen zo getroffen heeft.
De pijn en woede stammen uit mijn puberteit. Veel van mijn toenmalige vriendinnen waren fan van Madonna en ook ik zelf bewonderde de zangeres. Een mooie stem had en heeft ze niet, ze is evenmin een beauty, briljante melodieën en teksten vloeien niet uit haar pen. Wat Madonna zo bijzonder maakte was haar autonomie. Ze bepaalde steeds zelf haar koers. Wat je zag en hoorde was geen meisje dat dankbaar was dat platenbazen haar hadden ontdekt, maar een self-made idool die behaagziek over het podium kon kronkelen, kon verleiden, maar alleen omdat ze daar zelf zin in had. Soms lag ze aan de voeten van haar dansers, maar de volgende dag lagen de gespierde jongens aan Madonna's voeten - zij had de regie. Vond Madonna het tijd om een boekje open te doen over haar jeugd zonder moeder, over haar verdriet daarover, over de jaren waarin ze als een Assepoester voor haar vader en broers had gezorgd en door andere, rijke meisjes werd gepest en gemeden, dan schreef ze een tere ballad en zag je haar in een mistig clipje bloemen leggen op het graf, alles in een hooggesloten meisjesjurk en met een bleek, betraand gezichtje.
Waren we net aan deze ernstige Madonna gewend, dan hees ze zich in een leren SM-pakje en liet zich vastbinden, terwijl ze iets over haar erotische gevoelens hijgde op een opgefokte hartslag-beat. Madonna het straatvechtertje, Madonna de cowboy-girl, Madonna de glamourfilmster, Madonna de New Agerige oermoeder... Niet al deze typetjes waren er al in de jaren tachtig, maar je kon er reeds een glimp van opvangen. Alles, alles zou Madonna er aan doen om 'in the picture' te blijven - ook toen al wist je dat ze, als ze vijftig zou zijn of zestig, wel weer iets van die fase zou maken, op haar eigenzinnige, baldadige manier. Ik vond het bevrijdend dat Madonna bestaande rolpatronen doorbrak en geloofde echt dat jonge meisjes door haar zouden kunnen loskomen van een benepen groepsmoraal, van hun aanpassingszucht - aan jongens, maar ook aan elkaar. Dat ze met dank aan Madonna hun hart zouden volgen, hun eigen seksuele begeerte zouden ontdekken en bevredigen, hun eigen grenzen zouden stellen en zich niet meer zouden laten bepalen door ontmoedigende opmerkingen van ouders en leerkrachten. 'Dokter worden? Dat beroep valt later heel moeilijk met een gezin te combineren. Verpleegster is toch ook mooi?' Niet lekker zwelgen in relatieprobleempjes met al je eveneens onbegrepen, gefrustreerde vriendinnen, maar hup, eenzaam en op eigen kracht vooruit! Meende ik werkelijk dat Madonna's boodschap een emancipatoire was, mijn klasgenoten bootsten vooral Madonna's uiterlijk na. Allemaal een glittercrucifix in de oren, een sjaaltje in het haar, een gescheurd nethemdje op de rok met petticoat. Op feestjes Like a Virgin playbacken, of de choreografie in de clip bij Material Girl zielloos nadansen - dát was nou net het kuddediergedrag waar Madonna mee had gebroken!
Hun bewondering voor Madonna hielp mijn klasgenoten niet één stap vooruit, maar plaatste ze twee stappen achteruit. Iedereen vond het zielig dat Madonna vroeger zoveel gepest was, maar dezelfde fans keken werkeloos toe wanneer ik in elkaar werd getrapt en mijn handschoenen door de hondenpoep werden gehaald. Ze waren zeker bang dat het opkomen voor mij hen tot de risee van de klas zou maken. Maar als ze me later heimelijk troostten, zeiden ze ook dat ik een beetje om de klappen en scheldpartijen had gevraagd, met mijn overdreven afwijkende gedrag, mijn eigen kledingstijl en mijn niet verborgen ambitie om schrijfster te worden. 'Als je normaal doet Désanne, vindt iedereen je een stuk aardiger.' Waren dat nou Madonna-fans? Die zeiden dat je gewoon als iedereen moest doen om aardig gevonden te worden? Ik heb mezelf de vraag later nog veel vaker gesteld. Bij volgelingen van spirituele meesters als Rudolf Steiner en Krishnamurti. Bij liefhebbers van eigenzinnige filosofen als Nietzsche en Bataille, bij degenen die dweepten met schrijvers als Multatuli en W.F. Hermans. Hoe is het mogelijk dat ze hun idool tot op de letter nabauwen, als papegaaien, en soms bijna angstig door het leven gaan - want stel dat je iets doet wat het idool zou afkeuren - terwijl hun held juist oproept tot een door en door kritische houding, de meelopers heeft uitgekafferd en de verantwoordelijkheid heeft teruggeschonken aan het individu, en aanspoort tot zelfdenkzaamheid, creativiteit, zelfs opstandigheid? Een wonderlijke tegenspraak. De goeroe roept tegen zijn publiek dat iedereen zichzelf elke dag in de spiegel moet begroeten met de woorden 'Hello Tiger, I love you.' Maar als al die mensen dat doen, zijn het dan tijgers? Nee, dan zijn het makke schapen die kritiekloos de mantra meeblaten.
Toch zullen ze allemaal het gevoel hebben dat de boodschap exclusief aan hun eigen persoon gericht is, zoals ik meen dat ik de enige ben die Charlotte, Etty en Sylvia van binnenuit begrijpt. Iedere Frans Bauer-fan in Ahoy weet zeker dat de Brabantse zanger alleen zingt voor háár. Goed, Frans kijkt de zaal in en ziet niet veel door de felle lampen, hooguit de meisjes op de eerste rij, maar de die-hard-fan die helaas alleen nog maar een plaatsje achteraan kon krijgen, weet toch heel zeker dat de zanger bij die ene treffende regel over gebroken dromen, bij die ene regel waarvan alleen zij en hij, door overeenkomstige ervaringen, de diepere betekenis kennen, even háár kant opkeek.
Gewoon gebleven
In het massaal aanbidden van een idool schuilt altijd een paradox: enerzijds is het buitengewoon aangrijpend om samen te zijn met gelijkgestemden die allemaal kippenvel krijgen van dezelfde persoon, anderzijds heeft iedere fan het idee dat het idool er exclusief voor hem is.
Toen de Telegraaf, Privé en de popbladen in 1987 groots kond deden van de verloving van Frank Boeijen met de Britse presentatrice Amanda Reddington, voelde ik een steek van afgunst, net als mijn hartsvriendin en buurmeisje. We lieten er samen een paar tranen om en dachten allebei 'Als hij mij zou kennen, zou hij die Amanda meteen laten lopen.' Solidariteit, maar broze. Want ook al wisten we allebei dat we stukken interessanter waren dan die platinablonde del van Sky Channel en bevestigden we elkaar daarin, diep vanbinnen wist ik dat hij ook mijn buurmeisje zou laten vallen voor mij, en zij wist het omgekeerde. Dat we desondanks geen ruzie kregen, kwam doordat de kans op een ontmoeting met onze Frank nihil was.
Toen ik hem jaren later tot twee maal toe toch heb gesproken, waren de rollen omgedraaid. Boeijen, inmiddels weer vrijgezel, was reuzecharmant tegen mij, pas getrouwd, maar ik vond hem heel erg dom en van dichtbij stukken minder geheimzinnig mooi. Bovendien maakte hij flauwe grappen waar hij zelf heel hard om moest lachen, terwijl hij melancholiek moest zijn en in iedere zin existentialistisch links, liefst bijna religieus begaan met de ganse wereld. Idolen houden zich niet bezig met trivia als koffiemelk, suikerklontjes en koekpapiertjes, vond ik. Iets dergelijks heeft zich herhaald met Thom Hoffman. De acteur die ik als hitsige puber bijkans van tv-scherm, filmdoek en posters had afgelikt, benaderde me acht jaar later ongevraagd met de mededeling dat hij erg onder de indruk van mijn debuutroman was. Hij begreep niet waarom ik daar onbedaarlijk om moest lachen. "Omdat het niet de bedoeling is,' kon ik amper uitbrengen. Alles had ik eraan gedaan om met hem in contact te komen, vergeefs zijn nummer bij 008 opgevraagd, in Amsterdam rondgespeurd, maar op mijn 24-ste was de dweperij allang weggeëbt, en nu, veel te laat, was het Thom die stond te schutteren omdat hij zich niet wilde opdringen, blablabla. Dit brengt me bij een tweede paradox.
Enerzijds stelt de fan alles in het werk om eens 'gewoon' met zijn of haar idool te kunnen samenzijn, een gesprek te kunnen voeren op basis van gelijkwaardigheid. De fan meent dat hij alles van zijn idool begrijpt, maar hij gelooft ook dat zijn of haar idool de enige mens op aarde is die hém begrijpt, interessant vindt, op waarde schat, misschien zelfs nodig heeft. Je bent wat, als Ruud Gullit of Rafael van der Vaart met jou in zee wil. Dromen mannen ervan zelf een topvoetballer te zijn, vrouwen willen de topfan zijn, degene die door de ster in vertrouwen wordt genomen, kan zeggen dat ze hem echt kent, dat zij haar man door dik en dun steunt. Maar het idool moet niet te gewoon worden. Dat Frank Boeijen met suikerzakjes speelt en Thom Hoffman schuttert als hij zelf iemand bewondert is nog tot daar aan toe, maar een idool dat in zijn vrije tijd in een stinkende joggingbroek voor de televisie ligt met een zak chips en een sixpack bier - dat is vreselijk.
We vinden ons idool extra sympathiek als we lezen dat hij op zaterdag met kind en honden voetbalt aan het strand, of zijn onderbroeken bij de Hema koopt - 'Kijk eens hoe gewoon hij is gebleven!', maar het is niet de bedoeling dat we hem zien terwijl hij of zij met diezelfde kinderen ruzie maakt, een ochtendhumeur heeft, een boer laat na het eten. Wie regeert wie? Ooit zei de recalcitrante popster Robbie Williams voorafgaand aan een concert dat hij zojuist in de krant had gelezen dat er in een bepaald drankje - bier, cola - gevaarlijke, op den duur ziekmakende stoffen waren ontdekt, en hij wilde niet dat zijn publiek iets overkwam... Niemand in het stadion kocht die avond het betreffend drankje, en wat had Robbie een lol dat zijn publiek massaal in zijn grap was getrapt; zo makkelijk waren zijn fans dus te manipuleren geweest, met een paar bezorgde woorden en een verdwaalde krokodillentraan.
De macht van een idool strekt ver. Daarvoor hoef je niet eens terug te gaan naar nazi-Duitsland. Iedereen kent de verhalen van sekteleiders die hun volgelingen alle zelfrespect afnemen, seksueel misbruiken, geestelijk vernederen en in sommige gevallen zelfs de dood in jagen.
Geruststellende misstappen
Toch is het idool zelf ook kwetsbaar. Zodra hij of zij zich een dag niet gedraagt overeenkomstig zijn eigen imago of boodschap, kunnen de media en het publiek hem finaal afmaken.
Het idool dat overal naastenliefde predikt, maar zijn vrouw slaat en bedriegt met talloze groupies, kan zomaar tot paria worden verklaard - zelfs als zijn werk nog steeds goed en mooi is. Door de kennis over negatieve zaken in het privé-leven van het idool, kan zijn werk of boodschap 'mana' verliezen. Dit is vergelijkbaar met wat er gebeurde met het schilderij van de man met de gouden helm, dat alle kracht verloor toen het niet van Rembrandt bleek te zijn.
Met het badwater wordt ook het kind weggegooid. Als de held als mens niks waard blijkt, kan zijn werk ook niet goed zijn. Het is nog een wonder dat Bill Clinton tegenwoordig weer geregeld wordt geroemd om zijn bijdragen aan de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen, om zijn open, sociale politiek in het algemeen, en niet de geschiedenis is ingegaan als viespeuk. Michael Jackson heeft nog altijd fans en zijn muziek wordt niet geboycot, Woody Allen, die er met zijn Chinese pleegdochter vandoor ging en zijn vrouw Mia Farrow, die hij toch onder haar neus heeft bedrogen, met het enorme gezin liet zitten, wordt nog steeds geroemd om zijn eerlijke films, en de meeste mensen hier in Nederland hebben Rob Oudkerk en Patrick Kluivert vergeven. Maar de Amerikaanse Ike Turner is beroemder als mishandelaar van Tina dan als zanger, de opvoedgoeroe dokter Spock bleek een bruut voor zijn eigen kinderen, dus kunnen zijn theorieën nu helemaal wel op de vuilnisbelt, en bij de filosoof Heidegger werd lange tijd dieper ingegaan op zijn nazi-sympathie dan op zijn interessante ideeën. Of een idool wordt gerehabiliteerd of opeens een tragisch voorbeeld wordt van hoe het NIET moet, ligt niet helemaal in zijn of haar macht. Soms worden misstappen juist blindelings vergoelijkt: dat de gëengageerde, inspirerende priester/kunstenaar/schrijver/wetenschapper/politicus aan de lopende band vreemdgaat, komt gewoon doordat hij zoveel liefde, zoveel passie in zijn borst heeft, heet het dan opeens. Het ene idool wordt zelfs om zijn fouten geprezen, het andere idool hoeft maar één keer met een snuifje coke in de neus betrapt te worden om voor jaren de zondebok te zijn.
Zeker in deze tijd, waarin de media iedere stap van iedere beroemdheid volgen, worden veel idolen gevangenen van hun imago én van de willekeur van het publiek. Het is vandaag 'Hosanna' en morgen 'Kruisigt hem!'. Soms lijkt het erop alsof we dat allemaal heerlijk vinden. Niets mooiers dan juist moreel hoogstaande, idealistische helden als Bob Geldof en Bono te zien vallen. Leedvermaak is niet de enige drijfveer om idolen te betrappen op een inconsequentie. Als moreel hoogstaande mensen uitglijden is dat ook heel geruststellend voor onszelf. Namen we het onszelf aanvankelijk kwalijk dat wij in medelijden met zielige Afrikanen bleven steken en nooit tot hulpvaardige daden kwamen, de man of vrouw die wel radicaal werk van zijn medelijden heeft gemaakt, is gelukkig ook helemaal niet zo nobel, want kijk, hij heeft met subsidies gefraudeerd, of zijn eigen zoon aan zijn lot overgelaten toen die leukemie had!
'Zie je wel dat geen mens onversneden goed kan zijn? Dat juist die types die zonodig de wereld moeten redden en de hele dag trouw lijken aan hun principes, in het geheim de ware slechteriken zijn?! Nou, dan ben ik maar liever wat minder idealistisch en principieel, ik ben tenminste wel te vertrouwen!' De val van het idool bevestigt ons in onze voorzichtigheid, in ons kuddecredo 'Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg'. In het programma Idols staat niet de making of van een idool centraal, maar het afdruipen van iedereen die meent dat het makkelijk is om een idool te worden. Dit verhoogt de status van degene die het wél haalt en houdt niet alleen onze bewondering in stand, maar ook onze, veelal valse, bescheidenheid. Het is fijn dat wij in de anonimiteit leven en nooit in een situatie komen waarbij we door drugsproblemen of relatieperikelen onze villa moeten verkopen. We hebben niet eens een villa! Trouwens, idolen hebben het ook niet makkelijk, Rene Froger krijgt toch gewoon prostaatkanker - zie je wel dat roem niet per se gelukkig maakt? Idolen houden ons veilig op onze plek en verzoenen ons met onze kleurloosheid, ons gebrek aan daadkracht, doorzettingsvermogen en offerbereidheid, met onze halfslachtige talenten en zwak brandende idealen. Eigenlijk zijn we best tevreden. Wij zijn tenminste menselijk, in tegenstelling tot het idool dat door ons toedoen óf een übermensch, óf een untermensch is.
Principieel shoppen
Door alle openheid is idolatrie tegenwoordig relatiever: opvallende mensen kunnen niet meer zo makkelijk een mythe worden, zoals Gandhi, Che Guevara, Elvis, Goethe, Lenin, Dostojevski, Mozart of Picasso dat zijn. We weten bij hun leven al te veel over onze helden. We hebben ze zien praten, de camera is in hun woning geweest, er verschijnen al biografieën rond hun veertigste en mensen rondom het idool doen - tegen betaling - graag een boekje open. Idolen komen en gaan, en het zijn er bovendien te veel. Jongeren hebben niet meer één popgroep of artiest waarvan ze jarenlang in de ban zijn. Cultussen, als vroeger rond de Beatles en The Stones, ontstaan tegenwoordig minder makkelijk. Ik vraag me af of het graf van Kurt Cobain net zo veelvuldig wordt bezocht als het graf van The Doors-zanger Jim Morrison, of er over een aantal jaar net zoveel imitatoren van Eminem zullen opstaan als er nu nog van Jacques Brel zijn.
Mensen van eerdere generaties kunnen nog een leven lang inspiratie putten uit één boek. Of dat nu The Catcher in The Rye van Salinger is, De navolging van Christus van Thomas á Kempis, Het Kapitaal van Marx, of de gebundelde songteksten van Bob Dylan - de meeste mensen van na 1960 zijn niet meer zo trouw aan één inspiratiebron, één idool. Als echte postmodernisten (of als consumenten tot op het bot) pikken ze overal wat vandaan. Live Aid is een paar dagen lang een belangrijk event, maar echt impact lijkt het popconcert vóór Afrika en tegen AIDS en armoede niet te hebben. Een bezoekje aan het Franse klooster Taizé, een reis door de krottenwijken van India of Brazilië, het bijwonen van een spektakel ten behoeve van de Tsunami-slachtoffers - de jongeren zijn kortstondig diep geroerd, hun hart vat even vlam, maar van het consequent naleven van idealen is geen sprake. Het lijkt hen alleen maar om de kick van het moment te gaan, is een veelgehoorde kritiek. Niettemin behoedt deze zogenaamde vrijblijvendheid mensen er ook voor dat hun idealisme kan uitgroeien tot een starre ideologie, van wij tegen zij - waarbij 'wij' onszelf dan niet meer hoeven te bevragen, omdat we toch al in het goede kamp zitten. De vrijblijvendheid vraagt om een wakker bewustzijn. Aan jou de keuze of je de vlam laat uitdoven, of zelf voeding geeft. In de omgang met idolen en idealen toont zich soms goed hoe diep de kloof is tussen de ouderwetse principiëlen en de 'shoppers'.
Een mooi voorbeeld: in een interview met de omroepdirecteur van Llink, Anna Visser, beweerde deze dat ze er altijd als ze vlees at, nauwlettend op toezag dat dit van biologische afkomst was. Maar toen haar Kaapverdiaanse buurvrouw haar op een feestdag een schaal kippenpootjes bracht, heeft ze die in dankbaarheid aanvaard en met smaak opgegeten, zonder naar de herkomst van de kip te vragen of een preek af te steken. Op dat ogenblik ging de hartelijkheid van de buurvrouw, die haar vlees misschien wel bij de Kiloknaller betrok, voor. Het leek Visser kwetsend voor haar buurvrouw om het aanbod af te slaan. Dan maar een keer mensenliefde boven dierenliefde stellen, redeneerde ze. Toen ik dat las, dacht ik: dat zou ik precies zo doen. Toch kwamen er op de uitspraak van Visser woedende ingezonden brieven waarin haar opportunistisch gesjoemel werd verweten ('ze wilde zeker aardig gevonden worden') en Visser kreeg te horen dat zij haar buurvrouw onderschatte, door met deze allochtone vrouw niet, en met Nederlanders wel over haar idealen te praten. De autochtone kijker wil je wél tot jouw overtuigingen bekeren, maar zo'n buitenlandse buurvrouw vind je daar zeker te dom voor, suggereerde iemand.
Kennelijk vonden de briefschrijfsters Anna Vissers afwegingen tussen idealen te weinig radicaal, te pragmatisch, waar ik ze zelf juist van gezond verstand en autonomie vind getuigen. Misschien wist Visser van welk schijnbedragje haar buurvrouw moest rondkomen, misschien begreep ze dat het eten van kip een bepaalde symbolische of religieuze waarde op deze feestdag had, misschien had de buurvrouw haar verteld dat ze voor wel twintig man had staan koken - en je moet schatrijk zijn als je voor zoveel mensen biologisch vlees kunt betalen. Hoe dan ook, ik begreep uit het interview dat Visser haar principes niet klakkeloos overboord had gezet, maar een zorgvuldige afweging had gemaakt. Wie weet zou zij op haar beurt de buurvrouw eens een biologisch gehaktballetje brengen en het gesprek dan eens voorzichtig op de bio-industrie brengen, dat kon toch ook? Hoe durfden de briefschrijfster zó ferm te oordelen over de bewust levende Visser?
Natuurlijk, het streng naleven van idealen, idolen en principes schept duidelijkheid. Voor jezelf en voor anderen. Als je offers brengt, weet je waartoe. Als je keuzes maakt, kom je er niet op terug. Je houdt een helder doel voor ogen, en in je handen heb je de tekst die je zegt hoe het doel te bereiken. Je raadpleegt de biografie van je idool, laat je troosten en bemoedigen door zijn of haar kunst, muziek, ideeën; je onderhoudt een innige relatie met je voorbeeldfiguur en probeert je leven te laten lijken op dat van hem of haar.
Wat deed Etty Hillesum ook alweer als ze zich eenzaam voelde? O, ja, een Russische meester lezen. Er zijn zelfs mensen, (ik soms ook) die hun eigen slechte gewoontes en trekjes legitimeren door een beroep te doen op hun idool. Etty Hillesum rookte ook: op dat mooie portret van haar heeft ze zelfs een brandende sigaret tussen de vingers. Zie je wel dat je heel spiritueel kunt zijn, en toch tabaksverslaafd?
Manna
Nogmaals, die trouw en toewijding aan één ideaal, aan maar een handvol idolen met wie je echt dagelijks leeft, die je probeert te doorgronden en die je langdurig de kans geeft jou te veranderen, te inspireren, kan heel mooi zijn. Maar er zit altijd iets gevaarlijks in. Niet alleen kan een fan een moordenaar worden als zijn idool even niet lijkt op de held die zijn fan van hem gemaakt heeft (denk aan de moord op John Lennon) maar in zijn fanatisme kan hij ook zichzelf vermoorden, zij het niet per se letterlijk. De fan die alles geeft voor zijn idool, kan zich vervreemden van de minder gedreven lieden om hem of haar heen, zich verliezen in superioriteitsgevoel (zoals ik dat soms heb wanneer ik mijn vriendinnen geen liefde voor Charlotte Salomon en Sylvia Plath gun) of zo fanatiek zijn principes naleven dat de menselijke maat uit het oog verdwijnt. Mijn eigen vader was een charismatische pastoraal werker, die werd geroemd om zijn subtiele, enthousiasmerende preken, die gewone leken stimuleerde actief mee te denken over de liturgie - maar door zijn gedrevenheid was hij zelden thuis en zelfs op zondag en 's avonds aan het werk. De man die in de kerk ontroerend intens voor ging bij de tafeldienst, was ook degene die bij ons aan tafel weinig aandacht voor het eten had, niet goed luisterde, weinig vertelde, en om de paar happen steeds op zijn horloge keek. Ik vertel niets nieuws.
Veel idolen, profeten, priesters, dominees, goeroes, politici, popsterren, filosofen en kunstenaars zijn ontmanteld en we zijn voorzichtiger geworden met onversneden aanbidding.
In deze tijd komt inspiratie niet zozeer van buitenaf - er worden ons heel veel dingen aangereikt, maar we zijn niet meer makkelijk in de ban. Dat we kritisch zijn en soms vrijblijvend shoppen kan inderdaad tot vervlakking, nihilisme en egocentrisme leiden. Maar evengoed tot creativiteit om zelf verbanden te leggen, om overal 'iets uit te halen' dat ons bemoedigt en aanvuurt. Onze omgang met idolen en idealen is tegenwoordig minder verticaal. We zetten inspirerende mensen niet makkelijk op een voetstuk, en onze argwaan tegenover helden gaat soms zo ver dat we alles van hen willen weten en blij zijn als we hen op een foutje betrappen. Verbeeld jij je maar niks! Natuurlijk zijn leedvermaak en het scheppen van zondebokken verwerpelijk. Maar idolatrie is dat ook. Ik zie om me heen steeds meer mensen die zich door gewone medemensen laten inspireren. Ze wisselen idealen uit, doen ideeën bij elkaar op, bevragen elkaar kritisch. Hun voorbeelden kunnen mensen in hun eigen omgeving zijn, een vriendin, een moeder van school, de winkelier die op eigen initiatief een verbroederend buurtfeest organiseert. Veel mensen bewonderen nog wel een boek dat ze hebben gelezen, maar niet noodzakelijkerwijs de auteur ervan. Een regel uit een liedje, maar niet de ster zelf. Een mooie opmerking in een interview, maar niet de geïnterviewde. Een film, maar niet per se de acteurs erin. Ze durven het te stellen zonder exclusieve, monogame band met één idool, wat het delen van hun inspiratie makkelijker maakt. De dingen die ons raken gaan een tijdje met ons mee en dan komen er weer andere voor in de plaats. We worden geen groepen, geen kuddes, geen broeder- of zusterorde, geen fanclub of kerk met eeuwigheidspretenties, want er is geen gemene deler of constante: wij zijn zelf de constante en schrijven en heroverwegen ons eigen verhaal in het licht van de mensen en dingen die ons raken. Volgens mij is er in dit alles geen verlies van idealen: het gaat erom hoe je de vrijheid die door de relativering is ontstaan aanwendt. Van begeesterde, volgzame massa naar wikkend en wegend individu - dat hoeft niet tot navelstaarderij en inertie te leiden, maar kan juist open, krachtige, verantwoordelijke personen van ons allemaal maken, idolen voor onszelf en voor elkaar.
Misschien is het precies dat, de wetenschap dat we allemaal op onze eigen manier een ander tot lichtend voorbeeld kunnen zijn, tot inspirerende naaste, waar we altijd zo bang voor zijn geweest. Als Augustinus zochten we vergeefs buiten ons, wat al die tijd al in ons lag. Laat je niet verblinden, maar kijk in de spiegel en ontdek het licht in je eigen ogen. Dat licht gun je toch iedereen? Mana ontvangen van een beeld, een ideaal, een idool is één ding, maar mana zijn, mana als manna uitdelen - dat is de volgende stap.